Het strand van Noordwijk (mei 2016).

Het strand van Noordwijk (mei 2016).

Gisteren waren we op familiebezoek in een dorp bij Noordwijk. Zwager K en schoonzus V waren ook gekomen, uit Duitsland, met hun pasgeboren baby.

We zaten in de tuin. Al snel was ik aan de beurt om baby R vast te houden. R was in een lichtblauwe doek gewikkeld. Hij lag te slapen en hield zich daarbij muisstil. Roerloos.

Na een tijdje begon ik te vrezen dat hij dood was, oververhit geraakt door de meizon, of juist onderkoeld geraakt door de buitenlucht. Het was een raar, geheim gevoel, waarvan ik eerst niet wist of ik me ervoor moest schamen of dat elke seconde dat ik mijn mond hield er eentje te veel was.
‘You know,’ zei schoonzus V ineens, ‘when he is like this, sometimes I think he is dead.’
Geheime gevoelens blijken niet zelden volstrekt universeel. Zoals soms gebeurt bij onthullingen veranderde het geheim in een grap; we lachten.

Poolse nonnen

Het tafereel was net een hedendaagse kerststal. Een baby, in doeken gehuld, familieleden eromheen, een hond. Het leek alsof we uren zo konden blijven zitten. Eeuwen. Mijn gedachten dwaalden af naar de avond ervoor, toen ik Les Innocentes was gaan zien. Deze film van Anne Fontaine, gebaseerd op ware gebeurtenissen, gaat over Poolse nonnen die in 1945 zijn verkracht door Russische soldaten en zwanger geraakt. Tussen de kloostermuren krijgen ze hulp van een Franse arts, die de zwangere nonnen onderzoekt en de bevallingen begeleidt.

Meer dan over goed en fout gaat de film over de menselijke gesteldheid en het onverwachte. Elke non vindt haar eigen manier om met de ongewenste zwangerschap om te gaan. Ongemakkelijk genoeg dringt zich aan de kijker de gelijkenis met Maria op, al is de zoon van God natuurlijk een ander verhaal dan de zonen en dochters van een verkrachtende legerdivisie.

Terwijl ik baby R op schoot had dacht ik aan deze nonnen. Net als Maria eindigden zij allemaal met een bundeltje in de armen, de een berustender en instinctiever dan de ander. Het was duidelijk niet de bedoeling dat deze nonnenmoeders hun instinct zouden volgen. Een raar, geheim gevoel.

De heksen

Baby R heeft een Nederlandse vader en een Duits-Noorse moeder. Hij is vernoemd naar Roald Dahl, een auteur die in Duitsland minder bekend is. ‘De humor is te donker,’ stelt zwager K. ‘Duitsers begrijpen het niet. Nederlanders wel. De Noorse humor lijkt meer op de Nederlandse.’

Als de dag van gisteren herinner ik me hoe De heksen me aantrok en afstootte vanuit de kast bij ons thuis. Ik had het boek geleend van de bibliotheek, was erin begonnen maar gaandeweg werd ik misselijk en duizelig. De spanning greep me bij de keel. Ik voelde een smerige, penetrante en alomtegenwoordige angst die ik bij geen enkel ander kinderboek ooit heb ervaren. Ik durfde niet verder te lezen. Diep vanbinnen herkende ik bij mezelf een gebrek aan lef, waar ik me desondanks aan overgaf. Ik bracht het boek terug naar de bibliotheek en leende het pas opnieuw toen ik ouder en rationeler was geworden. Dahl leerde mij de betekenis van ontzetting.

Boulevard

De scène in de tuin duurde geen eeuwen maar slechts een uur. We vertrokken voor de lunch naar Noordwijk. Ik duwde de wandelwagen, een handeling die weinig verschilde van zo’n vijfentwintig jaar geleden, toen ik mijn babypop en knuffels in een mintgroene speelgoedbuggy rondreed. Baby R deed nog steeds alsof hij dood was. Bij het mulle zand aangekomen wilde de familie de kortste route naar het restaurant nemen, over het strand. De wielen liepen vast. Geliefde S stuurde de wandelwagen weer naar de straatstenen: ‘Wij lopen even om.’

Voor het eerst liepen S en ik nu met z’n tweeën achter een wandelwagen. Ik vond het een spannende gedachte dat de passanten op de boulevard klakkeloos zouden aannemen dat het ons kind was. Een jong gezin, een dagje uit. Ik probeerde in mezelf te bespeuren of dit nu werkelijk anders voelde dan het voortduwen van poppen en knuffels; ik geloof van niet.

De zon scheen. Naast ons, achter een smalle strook duinen, lag de zee. Een vlieger met een lange sliert hing stil in de kobaltblauwe lucht. S liep parmantig rechtop achter de wandelwagen. Hij droeg een lange jas en een zonnebril. Ter hoogte van Hotel van Oranje zette ik hem op de foto. Het zag er gek uit. Het kriebelde in mijn buik. Een raar, geheim gevoel.
‘Ik heb vlinders in mijn buik,’ zei ik tegen S.
‘Dat gaat wel over,’ zei S. We lachten.

We reden de wandelwagen weer het strand op. Soms is het naspelen van een werkelijkheid genoeg.