Vanmiddag kwam ik bij boekhandel Scheltema in Amsterdam twee Zwarte Pieten tegen. Ze spraken een meisje aan dat op haar vaders nek zat. Vader was een blanke dertiger die, de kin oncomfortabel op de borst, zijn antwoorden handig aan ‘Piet’ richtte. Maar deze Piet was Zwart, daar bestond geen twijfel over.

Ik pakte een boek van de plank en liep naar de kassa, op de derde verdieping.
‘Het is een Sinterklaascadeautje,’ zei ik.

‘Okee,’ zei de kassamevrouw. En toen, luid genoeg om een ruime straal van klanten deelgenoot te maken: ‘Wilt u cadeaupapier MET of ZONDER Zwarte Pieten?’

Al halverwege de vraag moest ik slikken. Ik wilde me niet laten kennen, me niet omdraaien, en probeerde krampachtig me te herinneren hoeveel mensen achter mij in de rij stonden. En vooral wat voor mensen dat waren: mensen met een andere huidskleur? Antiracistische yuppen? Patriotten?

Ik poogde onverschilligheid te veinzen. Ik schudde mijn hoofd, perste mijn lippen naar voren en mompelde: ‘Och, doe maar mét…’

Het kwam er niet heel geslaagd uit. Te nonchalant, alsof ik de hele Zwarte Pietendiscussie had gemist en daardoor de vraag überhaupt niet begreep.

Ik hield de adem in. Ik verwachtte een klap van achteren, of op z’n minst afkeurend gesis. Maar niets daarvan. De rij bleef rustig.

De kassamevrouw pulkte het prijsje van het boek. Het duurde lang; haar grijsgelakte kunstnagels wreven over de lijmresten. Een rotsticker. We maakten er wat grapjes om. Naast haar hielp een collega de ene na de andere klant. Toen boog ze zich voor die collega langs, naar de rollen met cadeaupapier.

Ze keek om.

Ik voelde al nattigheid.

Van onder de toonbank riep ze op niet mis te verstane sterkte: ‘MET Zwarte Pieten, toch?’

Ik knikte, schraapte mijn keel. Maar achter en naast me hielden klanten zich wederom gedeisd.

Ik liet de schouders zakken. ‘Graag,’ voegde ik er met een glimlach aan toe. Maar wat als een mening was bedoeld kwam er laf uit, bovendien te laat. In een servicecontext kan ‘graag’ ook gewoon ‘ja’ betekenen; een beleefd antwoord aan de medewerker die zich al die moeite getroostte voor mijn cadeautje. En stiekem vond ik dat wel best. Aan mijn lijf geen pietenpolonaise, al helemaal niet aan de kassa van een boekwinkel.

Toen ik naar de trap liep, passeerde er een vader met een huilende peuter aan de hand. ‘Kom maar,’ moedigde hij zijn blonde zoontje aan. ‘We gaan weer naar beneden. Daar zijn geen Zwarte Pieten meer.’