Jamala, Eurovisie Songfestival 2016 (foto: Eurovision); boekomslag van Szilárd Borbély, 'De bezitlozen'.

Jamala, Eurovisie Songfestival 2016 (foto: Eurovision); boekomslag van Szilárd Borbély, ‘De bezitlozen’.

Op de dag van de finale van het Eurovisie Songfestival bezocht ik het Verzetsmuseum in Amsterdam voor de tentoonstelling World War Two Today. Fotograaf Roger Cremers bezocht de afgelopen jaren plekken uit de Tweede Wereldoorlog, van Stalingrad tot Normandië. Hij verkent daarbij het grensgebied tussen herdenken en beleven, tussen eerbetoon en toerisme.

Een aantal foto’s toont zogenaamde re-enactments: het in vol ornaat naspelen van historische veldslagen. Een bijschrift vertelt dat de deelnemers uit alle sociale lagen komen, ‘van medisch specialist tot vuilnisman’. Militaristisch toneelspel als bindmiddel. Dit voorjaar was er in het nieuws veel aandacht voor segregatie op opleidingsniveau: hoogopgeleiden en laagopgeleiden komen elkaar nauwelijks meer tegen. Behalve, zo laat de tentoonstelling van Cremers zien, op het slagveld. Wie de maatschappij wil smeren heeft in de re-enactment een effectief middel gevonden.

Tataren op de Krim

Op Europese schaal kan het Eurovisie Songfestival als bindmiddel dienen, al wordt daar de effectiviteit twijfelachtig wanneer politiek en historie zich opdringen. Rusland is woedend over de Oekraïense inzending van Jamala en over haar winst, eergisteren, met het lied 1944.

Een analyse in de Volkskrant schetst beknopt de achtergrond. In 1944 liet Stalin de Krim-Tataren naar Centraal-Azië deporteren. De overgrootmoeder van Jamala, die eigenlijk Susana Jamaladinova heet, was een van hen. De Tataren zijn een islamitische minderheid en maken op de Krim tegenwoordig ongeveer twaalf procent van de bevolking uit. De verwijzing van het lied naar de Russische annexatie van de Krim in 2014 is niet mis te verstaan. Sindsdien worden de Krim-Tataren opnieuw gecensureerd, verjaagd en onderdrukt. Overigens vraag ik me af hoe verdraagzaam het er tussen 1944 en 2014 precies aan toe zal zijn gegaan.

Hongaarse Joden

Op 19 maart publiceerde de Volkskrant een interview met Yann Martel. Deze auteur interesseert zich in bijzondere mate voor de Holocaust. ‘Als Canadees ben ik een totale buitenstaander wat de Holocaust betreft,’ stelt hij. ‘In de Holocaust vermoordden we onze vrienden. Mensen die naast ons woonden, net als wij belasting betaalden, grote boeken voor ons schreven, onze taal spraken. Ze waren niet, in de conventionele betekenis, onze vijanden.’

Of we van ‘vrienden’ kunnen spreken valt te betwijfelen. Hoezeer Europa in het oosten verbrokkeld was en na de Tweede Wereldoorlog is gebleven, maakt de Hongaarse schrijver Szilárd Borbély duidelijk in zijn roman De bezitlozen. De hoofdpersoon is een jongen die in de jaren zeventig in armoede opgroeit op het platteland in het noordoosten van Hongarije, op de grens met Oekraïne. De gemeenschap vindt een nieuwe dynamiek binnen het communisme, een dynamiek die vooral bestaat uit onzekere arbeid en zekere pálinka in de kroeg. Het gezin van de jongen is buitenstaander met een diffuse Roemeens-Hongaarse identiteit en met Hoetsoelse voorvaderen, een bergvolk in de Karpaten. Ze leven volgens halfslachtige tradities met een oosters-orthodoxe, rooms-katholieke en joodse oorsprong.

Niet meer dan enkele pagina’s wijdt Borbély aan de deportatie van de Joden uit het dorp, in het voorjaar van 1944. Dorpelingen sluiten zich aan bij de fascistische Pijlkruisers of kijken toe, letterlijk op de dag in mei dat de Joden op karren vanaf de dorpsplaats worden afgevoerd. Verzet tekent Borbély niet op, in ieder geval niet anders dan die van de vloekende en mishandelende soort waar het het dagelijkse leven en lot van de boeren en arbeiders betreft. Toch zijn de latere decennia in het boek doordesemd van deze geschiedenis.

Jurk en broek

Een van de mooiste passages in het boek is een magisch-realistisch fragment, wanneer het broertje van de jongen wordt getroffen door ziekte:

‘In die dagen moet de engel zijn gekomen, toen de blauwe schil van de pruimen zich om het vruchtvlees spande. (…) De engel was zelf ook blauw. Er schemerde iets blauws onder zijn huid. Alsof hij altijd bibberde. En van dat bibberen die vreemde kleur had. Zijn gezicht verspreidde ook een blauwig schijnsel en op zijn huid zaten kleine droge plekjes. Hij had lang haar dat in lokken omlaagviel. Bij zijn oren zaten losse spiraalvormige krullen. We wisten niets met zekerheid over hem, behalve dat hij ergens uit het oosten was gekomen.’

– Szilárd Borbély (1963-2014), ‘De bezitlozen. Is de Messias al vertrokken?’ (vertaling: Lebowski Publishers, 2015)

Eergisteravond zong Jamala over een tragedie van zeven decennia geleden. Ze droeg een blauwe jurk, met een blauwe broek eronder met blauwe versieringen. De jurk over de broek was aan de voorkant ingekort, zodat er een lijfje overbleef dat iets weg had van een libel. De broek maakte haar ferm, vastbesloten. Iedereen mocht zien welke stappen ze zette. Ze stond in haar eentje op het podium. Een blauwe stola wapperde achter haar rug en om haar armen.

De historie kent momenten van genade. Dan komt, heel even, de blauwe engel.