Scheersessie; weerstation links in de vensterbank.

Scheersessie; weerstation links in de vensterbank.

Op de avond van Witte Donderdag kwam vriend R weer bij ons op bezoek, op een vroeger tijdstip dan vorig jaar. Toen hij aanbelde bleek de live-uitzending van The Passion net begonnen, en dat leek me zeer geschikt als beeldbehang. We dronken er rode wijn bij, al schakelde geliefde S gauw over op pils, Witte Donderdag of niet.

The Passion, dit jaar in Leeuwarden, was weer een smakelijke ratjetoe. Een Jezus die in het echte leven Dwight heet, een Maria die zelf twee jaar jonger is dan haar zoon bij diens kruisdood. In het verhaal van presentator Remco Veldhuis sprongen alleen nog de anachronismen in het gehoor. Jezus als ‘vlogger’, en later: ‘hashtag uwwilgeschiede’. Ik opende de bijbehorende website en werd daar uitgenodigd om ‘virtueel mee te lopen’ met het verlichte kruis. Mijn nieuwsgierigheid was gewekt, maar ik had geen zin om mijn hele Facebookprofiel aan de EO te schenken. Wel kwam ik in de verleiding om te twitteren met #Noorden.

We voorzagen de uitzending wat lamlendig van commentaar. Moe van de werkweek lag S in zijn stoel, en ik was op de bank ook weinig meer waard. R had als student genoeg energie om naar de koelkast te lopen en op onze aanwijzingen ons bij te schenken.
‘Mag ik een ijsklontje?’ vroeg ik.
R gaf me mijn glas terug met minstens tien aan elkaar vastgevroren klontjes. De brok was te breed voor het glas en stak er ver boven uit.
‘Nee, niet zo,’ zeurde ik.
R liep terug naar de keuken en brak een klontje af. ‘Ik kan hier wel butler worden,’ mopperde hij. Hij kwam terug en hield de fles boven mijn glas. ‘Een beetje oudjes verzorgen.’

Ineens ging er een wild gepingel af. ‘Sorry,’ zei R, terwijl hij in zijn broekzak graaide. ‘Normaal heb ik ‘m altijd op stil staan. Hallo? Hai, ja, hoi, hallo.’ Een telefoongesprek kan klinken als intergalactisch contact. De mededelingen over en weer bleven beperkt tot de conclusie dat er beter op een ander moment gebeld kon worden.
‘Dat was mijn moeder,’ zei R.
‘Wat leuk dat ze je belt,’ zei ik. ‘Hoe heet je moeder?’
Het antwoord verstond ik als Layla, maar dat bleek niet helemaal juist, en de onafgekorte versie vervolgens als Halaïda. Het klonk me nogal exotisch in de oren.
‘Wat?’ zei ik. ‘Halaïda?’
‘Ja,’ zei R. Maar inmiddels vermoed ik dat hij op zijn beurt mij verkeerd verstond.
Misschien heeft Petrus het destijds ook wel verkeerd verstaan. Ich kenne des Menschen nicht.

‘Ik moet me eigenlijk even scheren,’ zei S plotseling, terwijl hij over zijn kin wreef. Hij lag nog steeds languit in zijn stoel.
‘Zal ik je scheren?’ bood R aan.
‘Graag,’ zei S. ‘Het scheerapparaat ligt in de badkamer.’
Er klonk gerommel. Ik dacht weer aan de ijsklontjes.
‘Niet met het mes,’ schreeuwde S.
R kwam terug met het elektrische apparaat en boog zich over S heen. Het apparaat zoemde over de kin.
‘Wat relaxed,’ zei S. Hij had zijn ogen dicht. ‘Ik ben nog nooit door iemand geschoren.’
‘Het is best leuk om te doen,’ zei R. ‘Ik wil graag jullie butler worden.’

Uren na The Passion, terwijl R en S nog een geanimeerd gesprek zaten te voeren, zakte ik verder onderuit. Ik dacht weer aan de hof van Gethsemane. Slapen in gezelschap doe je eigenlijk alleen als je je echt op je gemak voelt, zodat je je niet hoeft te schamen. Vriend T bijvoorbeeld heeft tomeloze energie, maar moet soms bijtanken met dutjes op willekeurige tijdstippen. Na, of tijdens, etentjes gaat hij bij ons weleens op de bank liggen, en trekt bij wijze van deken zijn leren jas over zich heen, tot vlak onder zijn neus. In het begin had hij nog wat aanmoediging nodig, maar na een paar keer voelde hij zich voldoende thuis om op eigen initiatief de gang naar de bank te maken. De apostelen voelden zich zo op hun gemak bij Jezus dat ze konden slapen in diens gezelschap. Toch was dat voor Jezus geen troost; slapen lijkt ook op desinteresse.

Ik was al zeker een half uur onder zeil toen ik opschrok van een dwingend gepiep. S en R stopten met praten. We keken naar de mobiele telefoons die op tafel lagen, en toen naar de oven. Maar het geluid kwam van de vensterbank. Sinds enige tijd hebben we een weerstation, een kerstcadeau dat ik kreeg van S. De werkelijkheid is bescheidener dan het woord ‘station’ doet vermoeden; het is niet meer dan een schermpje. Maar lawaai maken kon het blijkbaar wel.
Het piepen versnelde, op dezelfde toonhoogte. Ik dacht aan terreur, aan bomgordels en vrachtwagens. Midden in de nacht ben je toch ontvankelijk voor irrationele angsten.
‘Zet het af,’ riep ik vanaf de bank.
R drukte op een knopje. Het gepiep hield op.
‘Hoe kan dat nou?’ zei S.
We staarden naar het apparaat.
Na een paar seconden begon het gepiep opnieuw, nog sneller. Nu drukte S op het knopje, en tilde het station op om het van dichtbij te bekijken. ‘Zou-ie dat elke nacht doen?’
‘Nee, toch?’ zei ik. Ongelovig keek ik over mijn schouder naar de klok. 1 uur. Dan liggen wij doorgaans al lang op één oor. En niets is enger dan huishoudelijke apparaten met eigen, nachtelijke initiatieven.

We lieten het alarmmysterie voor wat het was. De wijn was op. R vroeg om sterke drank: ‘Een slaapmutsje.’ S bood hem een glaasje kwartier-voor-vijven aan, en schonk zichzelf de laatste portie in. De fles stond al jaren open en de smaak was eraf. Maar ach, wat doet de tijd ertoe op Witte Donderdag. Als er maar een moment komt dat je ruw uit je slaap wordt gehaald. ♦