Kerstverhaal 2016

Kerstverhaal 2016

‘Ik heb net een mailtje rondgestuurd, dus iedereen is op de hoogte,’ zei de directiesecretaresse. Haar lippen waren een smalle streep en ze wreef haar handen over haar rok. ‘Het is ook jammer voor hemzelf.’ Ze wipte haar rechtervoet heen en weer. Hij zag nu pas dat ze goudkleurige pumps droeg. Vast en zeker voor de borrel.

‘Dus wat doen we nu?’ vroeg de adjunct-directeur. Hij vertrok geen spier. Hij leunde met zijn ellebogen op het bureau; zijn gespreide vingertoppen rustten tegen elkaar. Het antwoord liet zich raden, maar hij had geen zin om zelf hardop de conclusie te trekken. Er was geen ‘we’ in deze kwestie. Er zou alleen een ‘ik’ zijn.

De secretaresse trok haar wenkbrauwen op en liet haar kin zakken. Ze zei niets en liep achteruit het kantoor uit. De deur sloot met een zachte klik.

De adjunct-directeur pakte zijn mobiele telefoon. Het schermpje lichtte op: 15.43 uur. Hij had nog een uur om een verhaal in elkaar te draaien.

Hij leunde achterover in zijn stoel, zoals hij altijd deed wanneer hij onverwacht moest nadenken. Dat gebeurde de laatste tijd vaker dan hem lief was. Hij had altijd gedacht dat hij overtuigd was van zijn koers. Hij was een man met ambitie. Hij moest dat malle voorvoegsel in zijn functie ontstijgen. Dan zou dit bedrijf aan zijn voeten liggen, en wie weet welk bedrijf daarna, in Nederland of daarbuiten. Directeur moest hij worden. CEO, een drieletterig opstapje naar internationaal succes.

De adjunct-directeur stond op en wandelde naar het raam. In de straat onder hem reden fietsers voorbij. Sommigen hadden hun licht al aan; het was de kortste dag van het jaar en bewolkt. Dubbeldonker.

Bier. Moest hij de catering nog checken? Hij wilde weer naar zijn bureau lopen om de receptie te bellen maar bedacht zich. Die nieuwe meisjes hadden misschien echt geen flauw idee, wie weet hoeveel tijd hij kwijt zou zijn om dat probleem op te lossen. Hij kon zich maar beter richten op zijn speech. Waar moest hij beginnen?

Cijfers. Natuurlijk. Hij liep terug naar zijn bureau en opende op zijn computer de map met de jaaroverzichten. Hij dubbelklikte op het meest recente bestand. Zijn beeldscherm liep vol met kolommen en getallen. Hij kreeg het warm. Waarom had hij ook niet beter opgelet bij de plenaire uitleg die de directeur vorige maand nog had gegeven? Hij scrolde naar beneden, klikte met de muis door de verschillende tabs heen en liet ten slotte het pijltje zijn blik volgen, naar het kruisje rechtsboven.

Misschien moest hij de speech gewoon afgelasten. Door een onbenulligheid kon hij toch niet zomaar met de eer van de kersttoespraak gaan strijken. De informele borrel kon wat hem betreft gewoon doorgaan. Even zweefde zijn vinger boven de knop van de intercom.

Hij liep weer naar het raam. Geen cijfers, geen afgelasting. Wat wel? Hij probeerde zich krampachtig te herinneren wat de directeur in voorgaande jaren had verteld, maar denkend aan speeches zag hij vooral lege wijnflessen op de bar staan. De directeur had zijn toespraak voor dit jaar natuurlijk al lang af.

De adjunct-directeur pakte zijn mobiele telefoon van het bureau en zocht in zijn contacten. Hij hield zijn duim boven het nummer van de directeur maar legde het toestel weer weg. Als hij voorgoed op de tweede rang zou zitten wilde hij daar op zijn minst helemaal zelf verantwoordelijk voor zijn.

Het was bijna kwart voor vijf. De medewerkers zouden nu wel hun computers hebben afgesloten. Ze zouden wellicht hun telefoon nog een keer checken zonder werkelijk iets te willen weten. Iedereen wachtte op maar een ding: de speech.

Ook de adjunct-directeur wachtte. Hij moest niet als eerste binnenkomen, maar ook zeker niet als laatste. Toen het vijf voor vijf was opende hij de deur van zijn kantoor.

Op de gang was het stil. De kantoren die hij passeerde waren leeg, sommige al donker. In de kamers waar nog licht brandde hingen jassen aan de kapstok en stonden tassen naast bureaustoelen. Hij nam de trap twee verdiepingen naar beneden. Daar was de borrel, aan het einde van de gang. In de verte klonken al stemmen en het gerinkel van glazen.

De adjunct-directeur liep de lange, rechte gang door. Hij sloot zijn ogen. De muffe coulissen en het aanzwellende geroezemoes voerden hem terug naar zeker dertig jaar geleden: de kerstvoorstelling op school. Hij had het nu net zo heet als toen, al droeg hij toen een ezelmasker en nu een stropdas. Als ezel had hij alleen maar op het podium hoeven staan en over de blauwe cape van Maria naar het publiek kijken.

De entree die hij maakte was een gericht schot. Hij sloeg een glas champagne af en beklom zonder om zich heen te kijken het podium. Hij tikte op de microfoon, die een fluitend geluid ten beste gaf, en kuchte door de luidsprekers. Hij knipperde tegen de podiumlampen. De zaal verstomde.

‘Ik…’ begon hij.

Achter in de zaal vloog de deur open.

‘Ho, ho, ho,’ klonk een nabootsing van de kerstman. Iedereen draaide zich om. De directeur kwam binnen en wierp zijn jas over een stoel. ‘Dat was me de file wel. Maar ik ben er!’

De medewerkers begonnen te klappen, ter ere van de directeur of van de adjunct-directeur, die nog op het podium stond.

‘Jullie waren nog niet begonnen?’ vroeg de directeur zonder op een antwoord te wachten. Terwijl die op het podium af kwam wankelde de adjunct-directeur naar achteren, uit het licht. Met zo klein mogelijke hoofdbewegingen probeerde hij zijn hals los te maken van zijn boord. De begroeting van de directeur nam hij met een klamme hand aan.

De directeur haalde een papiertje uit zijn binnenzak, keek over zijn schouder en knikte naar de adjunct-directeur. Die ademde diep in en uit. Terwijl de woordenstroom van de directeur zijn hartslag tot bedaren bracht keek hij de zaal in. Eén woord slechts, dacht de adjunct-directeur, in dertig jaar tijd ben ik één woord opgeschoten.

In dat ene woord lag alles besloten. De rol van zijn leven. Van ezelmasker tot voorvoegsel, en alles wat er nog komen zou. ♦

© Ankie Lok, Amsterdam 2016