De handtekening van de columnist

De handtekening van de columnist

Het gebeurde achter in de Manifestatieruimte. In een geruisloze zucht van voorbijgang passeerde hij, recht voor mijn neus. Ik keek naar voren, hij keek naar voren; hij bewoog zich door mijn blik heen. Ik zag het moment pas toen het zo goed als voorbij was. In mijn hoofd slaakte iemand een zucht, onzichtbaar en onhoorbaar, een voice-overzucht die de schemering begeleidt, een reflectie in een spiegel, een verhoogde hartslag, van ontzetting of verlangen. Ik knipperde naar het moment, maar het liet zich niet versnijden.

Ik was op het Trouw Lezersfestival, eergisteren in Amsterdam. Alle stoelen waren bezet. Mensen dronken koffie, thee, water. Er waren speciale Trouw-koekjes. Na de eerste columnist besteeg ook hij het podium, degene voor wie ik gekomen was, meer dan voor anderen. Grijs pak, gympen. Bril boven op het hoofd. Een lok van dun grijs waar je je hand door wilt halen om het omhoog te strijken, zodat het bij de gympen en de bril past. IJsblauwe blik, eentje die zich zou laten vangen in een kleurcode van Pantone: PMS 283, gok ik. Een kleur om ’s ochtends voor de spiegel rekening mee te houden.

De stem klonk door de microfoon, welbespraakt en met een net accent. Moest het harder? Ja, riep de zaal. Luider maar verlegen ging het verder. Hij las eigen werk voor, een Klein Verslag uit het archief. Hoe kon het ook anders. Een columnist die niet alleen de wereld maar ook en vooral de letteren in zich herbergt is een schrijver, en schrijvers dragen voor uit eigen werk.

Na afloop vroeg ik hem om een handtekening. Ik had van huis een pen meegekregen van geliefde S. Een soort fineliner die in het lab wordt gebruikt. S had ‘m uitgeprobeerd, op krantenpapier. Vloeit niet, vlekt niet, en toch zwart en vet. Zonder risico op gescheurd papier.

Ik had ook een Klein Verslag meegenomen, bij mijn gebrek aan verzamelde columns in een paperback en bij zijn gebrek aan een roman, een literaire kunstvorm waar hij, zo meende hij zelf, te veel journalist voor is. Het Klein Verslag dat ik uit mijn archief had uitgekozen ging over de paternoster, een lift zonder deuren waar je zo in kunt stappen. ‘Het zachte kraken, de korte duisternis tussen de verdiepingen, de lome vaart.’ Hij schrijft vanuit zijn zintuigen.

Ik overhandigde de pen. Een hand geven durfde ik niet, waardoor ik nu helaas niets kan schrijven over de wellicht koele hand van de columnist, zoals die eerder dit jaar zelf schreef over de koude hand van Nick Cave. De uitgeknipte column bood weinig marge.
De pen hing bijna boven het verslag. ‘Over de tekst heen?’
Ja.
Bescheiden twijfel. ‘Groot?’
Graag.
Hij streek over zijn column, steil en compact; een handtekening als een seismogram.

‘Tussen u en mij zit normaal gesproken een nacht,’ had de columnist op het podium gezegd. Tussen hem en mij zit vanaf nu een beschreven stukje krant. En nachten, woorden, archieven die nog zullen komen.