Graasgeluiden in de polder, vrijdag 10 april 2020 (foto: Ankie Lok)

Ik had net de elektronische sleutel voor de deurpost gehouden. En daar kwam ze aangestormd, buurvrouw J.

Plots opdoemend in ons blikveld, van achteren, van de overkant van de straat, ons in de algemene hal van het gebouw passerend. Een hand om een klein, blond krullend hoofd, met de andere arm het lijfje ondersteunend. Er was een luid gebrul te horen.

‘Mag ik met jullie mee, met de lift?’

In tijden van corona en anderhalve meter hoor je zoiets te vragen. De intonatie van de vraag liet weinig ruimte voor het antwoord. We hadden haar voor kunnen laten gaan, maar dat kwam niet bij me op. Iets in haar haast en in haar focus zoog me mee in het tumult.
Een opstootje.

In de lift draaide het blonde kind zijn gezicht naar ons toe. De linkerwang en de lippen zaten vol helderrode vegen en onder de kin drupte het, donkerrood. Het brullen ging door.
Het was Goede Vrijdag, tegen het einde van de middag.
Het zesde uur, noteerden Marcus en Lucas.

‘Ik hoop niet dat het zijn tanden zijn,’ zei ze.
De paniek in haar ogen, die ik nog nooit eerder had gezien. Haar bloedende zoon in haar armen. Buurvrouw J heeft een Bijbelse naam.
‘Is het niet zijn kin?’ zei ik en wees naar de dieprode bron.

‘Ik loop wel even mee,’ verkondigde geliefde S, die alleen met artsen werkt maar naar eigen zeggen af en toe graag nog eens zijn klinische blik tegen het licht houdt.
Uit onze medicijnlade kwamen steriele handschoenen tevoorschijn, een flesje ontsmettingsmiddel en gaasjes. S verdween over de gang, het gebrul achterna.

Het duurde maar even tot hij weer binnenkwam en in één beweging de handschoenen en het afval in de prullenbak wierp.
‘En?’ vroeg ik. ‘Wat zag je klinische blik?’
‘Daar moet een huisarts naar kijken,’ zei S. ‘Het is toch een aardig diepe snee. Misschien moet het geplakt.’

Nog weer later, misschien tegen het negende uur, klonken er buurgeluiden op de gang. Geliefde S ging kijken.
‘En?’ vroeg ik wederom.
‘Hij is alweer helemaal levendig en vrolijk. Hij heeft een paar zwaluwstaartjes gekregen.’

Van de hechtingen zweefden mijn gedachten naar de boerenzwaluw die we die middag hadden gezien, op de oevers in Amsterdam-Noord. In de polder hadden we vijftien vogelsoorten geteld. We waren afgestapt langs een wei met roodbonte koeien. Ze hadden hoorns, dus het leek biologisch vee.

Het scheuren van het gras door de tongen was duidelijk hoorbaar. Een aanhoudend wieden. Graasgeluiden. Ik deed mijn ogen dicht, het leek me een prettig concert om een boek bij te lezen.

Thuis wachtte De pest van Albert Camus op me, pagina 131. Geel bloeide het koolzaad aan de slootkant.
Ergens rond dat moment maakte ons buurjongetje de gang naar de speelplaats.
Het zal Pasen worden.

Lees ook de blog Stille Zaterdag: verkeersdode >>