Joost Zwagerman, 'De stilte van het licht. Schoonheid en onbehagen in de kunst'.

Joost Zwagerman, ‘De stilte van het licht. Schoonheid en onbehagen in de kunst’.

Gisteravond stond ik mijn tanden te poetsen toen geliefde S vanuit het bed het nieuws riep.
‘Joost Zwagerman is dood.’
Ik riep terug, met de borstel nog in de mond, ‘Wat?’, maar wist al dat ik het goed had verstaan. In een interview in de Volkskrant een tijd geleden had ik gelezen over een scheiding, depressie, een vakantiehuis. En nu was hij dus dood. Zelfmoord, dacht ik meteen. Of een ongeluk. Maar vast dat eerste.

Ik dook naast S in het donker en lag eerst een half uur lang door oplichtende tijdlijnen te scrollen. Zwagerman had bij een radioprogramma zullen aanschuiven, maar kwam niet opdagen. Zo was laat in de avond de dag aan het licht gekomen. Ik kon de slaap niet vatten en kreeg het alsmaar heter. Nachten na verraden dagen wegen als lood. De ontzetting suist naar binnen en slokt de stilte op.

Van zijn romans, uit de snelkookpan van de jaren negentig, ben ik nooit een liefhebber geweest. Zijn essays daarentegen trokken me in de loop der jaren steeds meer aan. Al geruime tijd volgde ik met interesse Zwagermans rubriek over kunst in de Volkskrant. Eind augustus nog stond er in Trouw een voorpublicatie van zijn gisteren verschenen boek, De stilte van het licht. Schoonheid en onbehagen in de kunst. Als lezer vergroei je met je krant en met haar journalisten en schrijvers. Het voelt daardoor een beetje alsof er een huisvriend is gestorven.

Zwagerman kon zijn observaties en associaties helder overbrengen, en wist het onderwerp boven de persoonlijke ervaring uit te laten stijgen zonder al te theoretisch te worden. Zijn essays zijn als een excursie naar het museum en tegelijkertijd naar de bibliotheek en naar filosofie- en literatuurcolleges. Hij smeedde een kunsthistorische basis aaneen met eigen inzichten en dwarsverbanden. Zwagerman deed daarmee de mening van het publiek een handreiking. We gaan allemaal graag naar het museum, maar wat mag je als leek nu helemaal over kunst zeggen? Beschouwer Zwagerman gaf ons voor een delicaat onderwerp een passende stem. Er keken aanverwante ogen mee, die wat zij zagen wisten te gieten in bespiegelend proza.

Met de dood van de schrijver drukte op de nacht een gewicht van ongerief, van verraad. Een vederlichte dag volgde. Het voorbije etmaal was verdampt, verworden tot nieuwsbulletins, en de wereld nam nu kennis van het overschot. Stil was het daardoor niet. Wel licht. Rumoerig licht. De zon scheen, een weldadige septemberdag. En ergens in Haarlem lag Zwagerman, in het leven gestold, de gedachten over kunst tot zwijgen gebracht.

De jongen achter de kassa van de boekhandel had alleen al vanmiddag tientallen exemplaren van het stille kunstboek verkocht. De stapels slonken rap. Op de achterflap een profielschets van de auteur, in de tegenwoordige tijd.

Een herdruk zal spoedig nodig zijn. En de achterflap zal er anders uitzien.