Eerst dacht hij nog dat hij op het tuinpad werd gezet. Maar er waren geen handen die onder zijn buik weggleden, geen aai over zijn rug. Het deurtje ging open en er werd wat geschud, en voor hij het wist stond hij op het asfalt.

Hij voelde hoe zijn ogen zwart werden, een sensatie die hij niet eerder had gehad, in alle tien jaren van zijn leven niet. Met een ruk keek hij achterom, zijn lichaam onbeweeglijk. Hij hield zijn achterste laag en zijn staart in een boog. De geluiden gingen snel voorbij. Een dichtslaande autodeur, een ronkende motor. De auto was weg en er was alleen nog de wind.

De wind. Het woei hier als een bezetene, suizend en fluitend. De kat hield zich laag bij de grond en sloop naar de rand van het asfalt. Na een witte streep hield het op, daarachter begon het gras. Hij trok zijn poten onder zijn lichaam en bleef zitten.

Na een tijdje kregen het gras en het asfalt meer contouren. Het asfalt was een lange strook in beide richtingen. Lantaarnpalen gaven oranje licht af, tot ver weg; de kat kon het einde niet zien. Het eigenlijke landschap leek het gras te zijn, dat werd gekliefd door de asfaltweg. Zo ver hij kon kijken was er gras en zand. Heel in de verte zag hij grote gebouwen achter een hek, gebouwen van wit en zilver, ook oranje verlicht.

De wind blies wild over de vlakte, en de kat bleef in de berm. Hij zat op zijn ingetrokken poten zonder dat zijn buik de grond raakte, zoals de poezen in de buurt soms ook deden wanneer hij voorbij wandelde.

Er veranderde weinig toen het ochtend werd. Het oranje van de lantaarns verdween en het grijs van de dag kwam ervoor in de plaats. Het bleef waaien.

De kat kwam uit de berm en liep een eindje over de weg. Al snel werd hij weer de berm in gedreven door auto’s die soms voorbij stoven. Het werden er steeds meer, en er waren ook grote auto’s bij, vrachtwagens, die verderop remden met hun felle, rode lichten en afdraaiden naar de witte en zilveren gebouwen. Er kwam lawaai uit die gebouwen in de verte, geknars en gepiep, een aanhoudend gerommel.

Behalve de gebouwen en de auto’s was er niets. Geen huizen, geen andere katten, geen bomen, zelfs geen mensen met honden aan de lijn. De kat keerde terug naar de plek van gisteren, de vluchtstrook, en ging weer in het gras zitten. Hij vouwde zijn poten onder zich en doezelde weg. Alleen als er een auto naderde deed hij even zijn ogen open, twee spleetjes die hij gauw weer sloot.

De schemering verdoezelde de dag. Er kwamen steeds minder auto’s voorbij, de geluiden verstomden, totdat alleen de wind overbleef.

De kat werd wakker met honger. Het was een onaangenaam gevoel in deze donkere, kale vlakte. Maar wat kon hij doen? Hij besloot te wachten. Af en toe doezelde hij weer weg, en meende soms een stem te horen, een stem die hij kende, gerammel met een stenen bakje. Maar telkens als hij zijn ogen opende was er alleen de wind.

Hij probeerde het gevoel te negeren. Het lukte een tijdje, tot er voor zijn samengeknepen ogen iets danste. Een balletje. Een vlekje. Hij was een en al aandacht: onder de lantaarnpaal voor hem vloog een mot. De mot dartelde rondjes, alsof hij op zoek bleef naar het licht.

De kat stond binnen een seconde op zijn poten en sloop naar de paal. De mot vloog hoog, te hoog. De kat ging rechtop zitten om naar de mot te kijken.

‘Ach, oef,’ hoorde de kat. ‘Het duizelt me.’

‘Wat bent u aan het doen?’ riep de kat naar boven.

‘Dit is mijn lot!’ riep de mot terug. ‘Ik kan niet meer stoppen met draaien. Ben ik er al? Ik zie het niet goed. Het is hier zo licht, ik raak verblind!’

‘Houd toch eens op met dat wilde gedoe,’ adviseerde de kat. ‘U bent al lang waar u moet zijn.’

‘Oh,’ gilde de mot. ‘Dat had ik niet gedacht. En u dan? Bent u ook waar u moet zijn?’

De kat keek naar zijn voorpoten. ‘Nee,’ zei hij. ‘Ik ben hier niet op mijn plek. Ik hoor bij het haardvuur, op mijn kleedje, in de tuin, bij de andere buurtpoezen desnoods, en bij mijn etensbakje. Ik heb trouwens al uren honger.’ De kat geeuwde.

‘Wat vervelend,’ antwoordde de mot, die al iets langzamer in het rond vloog. ‘Zelf ben ik vooral moe.’

‘Moe? Dat heb ik dan weer niet. Ik heb vanmiddag in het gras best lekker geslapen.’ De kat keek achterom, naar zijn vluchtstrook. ‘Maar een lekker hapje zou me wel goed uitkomen.’

De mot vloog inmiddels op pootlengte van de kat.

‘Wat eet u zoal?’ vroeg de mot.

‘Brokjes,’ zei de kat. ‘Vooral brokjes. En soms insecten.’ Hij liet expres een stilte vallen. ‘En vogels, maar dat is meer voor de lol. Die heb ik hier bovendien niet gezien. U bent de eerste die ik tegenkom.’

‘Ah,’ zei de mot. ‘U bent de eerste die mij vertelt dat ik ben waar ik moet zijn. Fijn om dat eindelijk eens te horen. Nu weet ik tenminste dat ik op de goede weg ben.’

De kat bleef toekijken hoe de mot zijn rondjes vloog in het licht onder de lantaarnpaal. Wat een raar beest, dacht hij. Waarom zou hij iemand anders nodig hebben om hem te vertellen dat hij het goed doet? De kat vond het zo onbegrijpelijk en vermakelijk tegelijk dat hij zijn poten thuishield.

Na nog een rondje of twintig dartelde de mot onder de paal vandaan, de duisternis in. ‘Dag,’ riep hij. ‘Ik ga nog meer licht zoeken!’

‘Dag,’ groette de kat hem terug. ‘Ik blijf hier, in de wind.’ Hij draaide zich om. Naast de vluchtstrook ging hij in het gras liggen en viel in slaap.

De volgende dag hingen de wolken laag boven de vlakte. Er reden auto’s voorbij, vrachtwagens raasden op de gebouwen in de verte af. Te eten viel er nog steeds niets. De kat begon nu ook dorst te krijgen. Hij wilde zich een wasbeurt geven, maar van het haar werd zijn bek droog en de zandkorrels tussen zijn tenen schuurden tegen zijn tong.

’s Avonds, toen er bijna geen auto’s meer kwamen, wandelde hij weer een eindje langs de weg. De wind blies over zijn rug en onder zijn buik. Hij had het koud.

Er ritselde iets in de berm. Tussen een paar grassprieten stak een worm zijn kop boven de aarde uit. ‘Kuch,’ hoestte hij.

‘Wat is er? Waar hebt u last van?’ vroeg de kat. Hij stapte in een half rondje om de worm heen.

‘Van al die aarde,’ spuugde de worm. ‘Ik moet mijn huis helemaal alleen schoonhouden, ziet u. Dit jaar hebben merels mijn hele gezin opgegeten. Ik sta er alleen voor. En het is hard werken.’ Er gleed een traan over zijn hals naar beneden. ‘En u? Wat komt u hier doen?’ vroeg hij afwezig.

De kat deed een paar hoge passen heen en weer.

‘Ik zoek iets te eten,’ zei de kat. ‘Ik heb ook al dagen niets gedronken.’

De regenworm werd alweer in beslag genomen door zijn eigen verdriet. ‘Het is zo gemeen!’ riep hij uit. ‘Het gebeurde op een mooie lenteochtend. Ik hoorde gerommel op het dak. Het klonk alsof ons huis zou instorten. Mijn vrouw wilde onze kinderen in veiligheid brengen. Ze vluchtten weg en zijn toen gegrepen.’

‘Wat hebt u toen gedaan?’ vroeg de kat.

‘Ik heb hulp ingeschakeld. Ik heb de kraai omgekocht om de merel een kopje kleiner te maken.’

‘En?’ zei de kat, die nieuwsgierig werd door de spannende wending.

‘Dat is gelukt. De kraai heeft de merel een kopje kleiner gemaakt.’ De worm werd stil.

‘En?’ zei de kat weer.

‘Tja,’ zuchtte de worm.

De kat dacht aan de tuin, waar hij in het voorjaar weleens achter de merels aan zat. Maar dat was puur voor het plezier, daarna ging hij altijd gauw weer op zijn kleedje liggen. Zo’n fijn, zacht kleedje!

‘En?’ spoorde hij de worm aan.

‘De merel is er niet meer,’ zei de worm. ‘Deze merel in ieder geval niet.’ Hij begon weer te snikken.

De kat dacht nog steeds aan zijn kleedje. Ook in het reismandje had hij op een kleedje gelegen. Hij dacht weer aan de auto en de achterbank.

‘Deze merel niet,’ herhaalde de kat. De behoefte van de worm was hem vreemd. In zijn eigen binnenste werd hij slechts een koel meer gewaar, rimpelloos en zonder spiegeling. Hij wilde hooguit dat de wind even zou ophouden met waaien. En een hapje eten natuurlijk, en wat water. Hij voelde zich moe. Hij keek naar de sappige worm.

‘Ik zie dat je het zwaar hebt,’ zei de kat. ‘Maar ik kan je niet helpen.’ Hij keerde zich om. ‘En jij mij ook niet.’

‘Het is al goed,’ mompelde de worm, die was begonnen aan de afdaling. Zijn hals en kop verdwenen langzaam weer onder de aarde.

De kat wandelde terug naar de vluchtstrook. Hij ging in de berm liggen en wachtte tot het ochtend werd.

Toen de zon opkwam waren de wolken verdwenen. De ochtend werd gehuld in een oranje gloed, waardoor de kat een tijd lang de snijdende wind vergat. Met vreemde ogen keek hij naar zijn lijf. Stijf was het, en groezelig. De hele dag bleef hij in de berm liggen, naast de voorbijrazende auto’s.

De bedrijvigheid in de verte bereikte hem soms in zijn dromen. Dan meende hij verse, koele melk te ruiken, een koelkastdeur te horen, felle kleuren te zien, van bloemen in de tuin, een vers gemaaid gazon. Wanneer hij ontwaakte uit die dromen lag hij weer op het dorre bermgras.

In de avondhemel versmolt de zon met het oranje licht van de lantaarns. Toen het donker was geworden stond de kat op. Hij liep de andere kant op, langs de weg. Soms kwamen hem koplampen tegemoet. Van de voorbij razende wielen werd zijn tred wankel.

Wat was dat? In de berm bewoog een hoopje zand. Af en toe spoot er wat aarde uit omhoog, toen volgde de snuit van een mol.

‘Hallo?’ riep de mol.

‘Ja, hier,’ zei de kat. ‘Ik zie u wel, hoor.’

‘Ik u niet,’ zei de mol.

‘Klopt,’ zei de kat. ‘Dat weet ik uit ervaring.’ Hij maakte geen aanstalten. Er was niemand om een buit aan te presenteren.

‘Het is maar wat lastig om blind te zijn. Ik denk weleens dat het een straf is dat wij zo zijn gemaakt,’ klaagde de mol.

‘Het is maar hoe je het wilt zien,’ suste de kat.

‘Ik zie het niet zitten,’ ging de mol door. ‘Af en toe moeten we nu eenmaal bovengronds komen. Het is zo onveilig. Wie beschermt ons? Wie zal ons komen redden? Er gaan geruchten dat er hier vossen zitten. En roofvogels, die vliegen ook weleens over.’

De kat rilde. Hij bleef naast de mol zitten, laag bij de grond. Deze vlakte was vol van dieren die hij niet kende en niet wilde kennen. De kat keek achterom. In de verte lag de vluchtstrook.

‘Veel geluk, mol,’ zei hij. ‘Ik ga weer.’

Stram sjokte de kat langs de weg, onder de sterren. Eindelijk bereikte hij de vluchtstrook. Hij stapte het asfalt op en vlijde zich op zijn zij.

In het licht van de lantaarns bleef de kat zo stil liggen dat in hem langzaam het rimpelloze meer bevroor, tot er een laagje ijs op lag dat zijn ziel net dragen kon. Daar schepte haar de wind.

– EINDE –

Nawoord

Vluchtstrook met kadaver op de Maasvlakte, najaar 2015

Vluchtstrook met kadaver op de Maasvlakte, najaar 2015

In het najaar van 2015 reden we naar de Maasvlakte om een bijzondere vogel te zien. We hebben de halve vlakte gezien, maar geen vogel.

Op een vluchtstrook ergens in het gebied lag een kadaver. We naderden het dode beest te voet, van achteren, en pas toen we heel dichtbij waren zagen we wat het was: een kat. We waren zo ver van de bewoonde wereld dat ik me bovenal afvroeg hoe het dier hier was beland. Was het verdwaald en omgekomen of aangereden? Was het al dood en was het hier neergelegd? Weggedaan? Of zou het een zwerfkat zijn geweest?

Dit verhaal is een variant waarin de kat op de proef wordt gesteld. Kerstmis is een feest van het begin, maar dat is het halve verhaal. De kunst is om met het einde in zicht het oorspronkelijke te bewaren.

© Ankie Lok, 2015