Sallandse Heuvelrug, landschap van het korhoen; Canadese begraafplaats Holten, 25 april 2015

Sallandse Heuvelrug, landschap van het korhoen; Canadese begraafplaats Holten, 25 april 2015

In Holten stond versiering langs de weg. Fleurige kransjes en bordjes rond lantaarnpalen.
‘Is het hier altijd zo?’ vroeg vriendin S verbaasd vanaf de bijrijdersstoel. We keken uit het raam, bestuurder M door de voorruit. Vier bleke gezichten in een woonwijk.
‘Dat zal wel niet,’ hoonde ik, ‘want dan zouden deze mensen in een museum wonen.’ De logica ontging me nog terwijl ik het zei; er wonen ook mensen op de Zaanse Schans.
Het was eind april. We concludeerden dat het te maken moest hebben met 70 jaar bevrijding. Bruine bordjes wezen de weg naar de Canadese begraafplaats.

De bewegwijzering naar vogels voltrekt zich online. Op aanwijzingen van Waarneming.nl waren we die ochtend om 6 uur vertrokken naar de Sallandse Heuvelrug, in de wielewagen, zoals we de gele Fiat Panda van vrienden M en S noemen. Het ‘dudeljo’ is een kordaat ronken. Schonkig postuur, hoekige vlucht, zeker achterin. Ons doel was bruin, of liever nog marineblauw: het korhoen.

Parachutes en klaprozen

De in Nederland met uitsterven bedreigde vogel moet zich met hulp van een paar uitgezette Zweedse mannetjes zien voort te planten, maar het vlot niet echt. Er is nog slechts een handjevol volwassen exemplaren. Als je ze nog wilt zien kan het, al een paar jaar lang, elke lente te laat zijn.

Het Nationale Park oogde dof. De wielewagen hadden we aan de rand achtergelaten. Het miezerde, maar niet hard genoeg om de vogels de mond te snoeren. In het bos was het één en al gekwinkeleer. Erbuiten op de heide zagen we boompiepers, die op het einde van hun zangvlucht als parachutes naar een tak zweven. Hoog tegen de witgrijze hemel zong een veldleeuwerik, eerst naast ons en langzaam verder weg, eindeloos. De koekoek riep. We zagen er twee vliegen, listige broedparasieten. Ook bij vogels bestaat er zoiets als goed en kwaad.

Tijdens de wandeling kwamen we een paar mannen tegen. Ze waren op de fiets en droegen verrekijkers om hun nek. Ze hadden ‘m gezien. Of ‘r. Bij zeldzame vogels als het korhoen telt ook het doorsnee kloffie van het vrouwtje mee. Het mannetje is natuurlijk veel knapper, met een marineblauw en olieachtig glanzend verenkleed, een eksterachtig wit op de vleugels en boven de ogen vuurrode kammen, als de blaadjes van een klaproos. Een onweerstaanbare verschijning.

Bubbelend koeren

Verderop lag een heuvel. Er stonden een paar mensen op; mannen en jongens. ‘Is dat ‘m niet,’ zei ik achteloos toen ik rechts van de weg een bolranke vorm door de lucht zag gaan. De vorm verdween achter een paar bomen, kwam toen boven de weg tevoorschijn.
Bingo.
De vogel verdween aan de andere kant over de heide.
‘Dat was ‘m, boef!’ riep M opgetogen naar zijn geliefde, vriendin S, die onder haar grijze capuchon voorop liep.

Op de heuvel tuurden we door telelenzen in de verte, waar de vogel boven in een den was neergestreken. In de grijze ochtenduren vermengden de kleuren zich met elkaar, maar de bruine vogel was goed te herkennen. Geen mannetje. Wel een Nederlands exemplaar, een richtige korhoen, zoals M grapte. Die Zweden tellen eigenlijk niet helemaal mee. We hadden ‘m al afgeschreven toen we toch over de heide zijn geluid hoorden. ‘Bubbelend koeren’, schrijft de ANWB Vogelgids. IJl en ver, gesmoord in het web van de motregen. Maar we hoorden het.

Supernova in de Veenkoloniën

Door het Nationale Park loopt een weg, een smalle strook asfalt met aan weerszijden heidevelden met bomen. Overdag is de weg open voor verkeer. Af en toe naderde jakkerend rubber.

Toen ik klein was maakten mijn ouders weleens dagtochtjes naar Duitsland. Op een van die tochten, aan het begin van de avond, in het veenkoloniale landschap bij Stadskanaal, vloog er een fazant tegen de auto. De klap was dof en vet. De motorkap werd besmeurd met vocht, bloed, slierten oranje vlees en ingewanden. Hoger op de voorruit alleen nog wat onbestemde vlekken. De fazant was finaal uit elkaar gespat. Een koplamp lag aan diggelen. Het was mei, volgens mijn moeder waren de vogels moe van het op en neer gaan naar het nest. De hele verdere avond moest ik denken aan het broedsel van de fazant, dat nu ten dode was opgeschreven.

Zouden de korhoenders op de Sallandse Heuvelrug deze lente nog nestelpogingen ondernemen? De afgelopen jaren zijn de kuikens niet groot geworden. Misschien vinden ze het inmiddels te gevaarlijk langs de weg. Hier? Weer met die Zweed zeker? Mij niet gezien.

Alleen koffie

We keerden om. De regen begon harder te stromen, de vogels werden stil. Op het bospad knapten takken onder onze voeten, steeds sneller op weg naar de rand van het park. Vriendin S werd ‘helemaal wit’, constateerde geliefde S. Allemaal waren we rillerig en misselijk, van de kou en van de vroegte. Het was amper 9 uur. Het bezoekerscentrum was nog gesloten. Of het Natuurdiorama wel open was bleef onduidelijk, al konden we wel naar binnen. Een rek met ansichtkaarten, biologische jam, kookgerei. Een opgezet korhoen staarde ons aan. Een mannetje. Maar dat telde al helemaal niet.

Het werd koffietijd. De ene herberg na het andere jachthuis bleek nog dicht. Door de ramen zagen we wit gedekte tafels in donkere zalen. We koersten naar Holten. M reed een plein op dat in tweede instantie niet voor gemotoriseerd verkeer leek bedoeld. Mannen en vrouwen op fietsen met boodschappentassen, zaterdagochtendbedrijvigheid onder de paraplu. In het gebouw van het grand-café waar we plaatsnamen zat ook een toerismeloket en een bibliotheek. Voor de ingang stond een rekje met groteletteredities.

‘Onze kok is er meestal pas om 11 uur,’ antwoordde de serveerster op onze bestelling.
M keek hol over tafel. Hij had het al minstens een uur over kroketten.
‘Doe maar alleen koffie dan,’ zeiden we gelaten.
Hoge glazen, opgeschuimde melk. Nog voordat de glazen leeg waren bleek tot ons geluk de kok gearriveerd, veel te vroeg.

Canadese vlaggetjes

Rozig van de kroketten kropen geliefde S en ik weer op de achterbank. Vriendin S gidste M langs de bruine wegwijzers. Oorlogsgraven als bonus op een vogelexcursie. Via een zij-ingang wandelden we de begraafplaats op. Het was er stil en leeg. Het regende nog steeds, een venijnige miezer. Keurig gemaaid gras, strakke rijen witte graven. Roze en paarse rododendrons omzoomden het ereveld in volle bloei.

Bij sommige graven stonden Canadese vlaggetjes in de aarde geprikt, hier en daar naast de Nederlandse vlag. Fotolijstjes. Jongemannen in zwart-wit. De begraafplaats was in afwachting van het gedruis: 70 jaar bevrijding. Bij de grote herdenking op 4 mei zouden meer dan vierduizend mensen aanwezig zijn, onder wie zestig Canadese veteranen. ‘De Holterberg is die morgen hermetisch afgesloten,’ waarschuwde een website. ‘Degenen die deze plechtigheid willen bezoeken worden met pendelbussen naar de begraafplaats vervoerd.’

Namen, regimenten, data, leeftijden. Gedichten en bijbelteksten. Een paar grafstenen zijn in het Frans opgesteld. Aimant Dieu et sa patrie / Il a donné sa vie / pour la liberté des autres. Een merelmannetje hipte tussen de rijen over het gras. Druppels op bladeren, op telefoonschermpjes, nat leer, koude vingers. Paraplu open, dicht, toch weer open. Their name liveth for evermore, wenst de steen voor de ingang. Ook daar een Canadees vlaggetje, winddichte waxinelichtjes, in een kring van kunstklaprozen. We sjokten terug naar de parkeerplaats, definitief verkleumd nu. De wielewagen ontving ons behaaglijk. M gaf weer gas.

De wereld raast, langs korhoen en grafsteen. Van leven en dood blijft op de lange duur alleen een toeristische attractie over.