Literatuur voor Oostende: Volker Weidermann, Mark Schaevers en de geprinte lezing van Arnon Grunberg

Literatuur voor Oostende: Volker Weidermann, Mark Schaevers en de geprinte lezing van Arnon Grunberg

Lezen is een race tegen de klok. Mijn actualiteit is altijd minstens een paar dagen oud. Vooral sinds ik me twee krantenabonnementen op de hals heb gehaald loop ik achter. De stapels papier werk ik op chronologische volgorde door, met als onbevredigend gevolg dat ik zelfs op zaterdagochtend, midden in de tijd en naast de dubbeldikke weekendkrant, nog in het verleden leef.

Met boeken gaat het soms net zo. ‘Zulke boeken moet je meteen lezen,’ zei vriendin D eens over Niccolò Ammaniti. ‘Toen je het kocht was het actueel en daarom leuk, na een tijdje vraag je je af waarom je het hebt gekocht en als je het nog langer laat liggen dan hoeft het niet meer.’ Ik vind dat D haar exemplaar van Het lelietheater van Lulu Wang moet inlijsten, als een 21e-eeuwse readymade, als een icoon van voorgoed ongelezen gebleven boeken.

Het boekenweekessay van vorig jaar las ik vlak voordat de boekenweek van dit jaar begon. Schandalig laat voor zo’n dun boekje, maar nog net op tijd om niet ingelijst te hoeven worden, en ook net op tijd om me een mooi neologisme bij te brengen. Het essay is van de hand van Jelle Brandt Corstius: in zijn Arctisch dagboek doet hij verslag van zijn ervaringen als gastspreker op een cruiseschip. Passagiers bleken ongegeneerd beslag te willen leggen op zijn tijd en aandacht. ‘Ik voelde mij als een kruising tussen een hoer en een huisdier. Een hoerdier,’ stelt Brandt Corstius, ‘bij wie je met al je sores terechtkon zonder enige schroom of reservering, want per slot van rekening zat ik bij de prijs inbegrepen.’

ballingschap

Voor een weekend in Oostende met D schafte ik onlangs twee boeken aan: Oostende, de zomer van 1936. Irmgard Keun, Egon Erwin Kisch, Joseph Roth, Stefan Zweig aan de Belgische kust van Mark Schaevers, en Ostende. 1936, Sommer der Freundschaft van Volker Weidermann.

Beide boeken, het ene non-fictie en het andere een roman, behandelen een groepje joodse auteurs in ballingschap die elkaar buiten nazi-Duitsland treffen, in Oostende. In het ene ben ik nog bezig en dat hoop ik voor het weekend uit te hebben. Het andere moet ik onmiddellijk daarna lezen, anders hoeft het straks niet meer.

Naast de twee boeken neem ik naar Oostende nog te lezen actualiteit uit het verleden mee: op 4 mei hield Arnon Grunberg in Hilversum de Bill Mincolezing, over het leven van zijn moeder en over herdenken. Een tweet van docent E attendeerde mij erop. De tekst van de lezing vond ik op internet; vier geprinte A4’tjes lang. Het printje ligt op mijn stapel verouderend nieuws.

Oostende lijkt mij een goed moment om de tekst te lezen, aan het strand of in het hotel. Onze kamer heeft een ligbad, waar D en ik ons al weken op verheugen. Ooit vatte ik De graanrepubliek van Frank Westerman voor haar samen en vertelde erover als in een hoorcollege, in een bed & breakfast in Oost-Groningen. Plaats van handeling: het ligbad.

Zou ik in Oostende de tekst van Grunbergs lezing in bad aan D kunnen voorlezen? Er kleeft iets onzedelijks aan deze overweging. Waar in een boeksamenvatting nog grotendeels je eigen vertelstem kan doorklinken, is dat bij een lezing heel anders. De lezing is geschreven en uitgesproken door Arnon Grunberg. De lezing is Arnon Grunberg. In hoeverre word ik zelf Arnon Grunberg als ik zijn lezing aan een vriendin voordraag? Naakt, in bad? Die toevoeging maakt de gedachte wat onbehoorlijk, maar als proef ook spannend.

Duitse paperback

Drie dagen geleden zat ik met geliefde S in een bootrestaurant. De volgende dag zou S voor werk naar Ierland reizen. Het woei hard; het schip deinde wat op en neer. We spraken over Oostende en de joodse auteurs in ballingschap. Bij de thema’s literatuur en fascisme kwam ook Jugend ohne Gott (Jeugd zonder God) ter sprake.
‘Oh ja,’ zei S, ‘dat heb ik gelezen, op school. Het staat in mijn kast. Een groen boek.’
Ik schudde mijn hoofd. ‘Dat heb ik nooit zien staan.’
‘Jawel,’ beweerde S. ‘Ik had het al in ons studentenhuis U. Maar misschien heb ik het bij een verhuizing weggegooid.’
Ik groef in mijn geheugen. Op de luttele vierkante meters van U had ik geleefd met iemand die een Duitse roman op een plank boven zijn bureau had staan? Ik kon me niet voorstellen dat ik kleur en titel over het hoofd zou hebben gezien.

Thuis ging S met zijn vinger langs de rijen in zijn kast, zonder resultaat. De doos met nostalgia kwam nog van stal, maar nee, het boek moet ergens in de afgelopen tien jaar zijn weggedaan. Nu ik eenmaal van dit exemplaar op de hoogte was trof mij zijn non-existentie ineens als een verlies. Ik zag het helemaal voor me: ik zou ’s avonds in bed – bij gebrek aan ligbad – de groene paperback lezen, terwijl S langs de Ierse kust zou dwalen, door Dublin, voorbij groenbruine pubs waar gitzwart bier uit de tap stroomt. Ik zou het boekje, vergeeld en stinkend, openvouwen, mijn ogen zouden over de regels gaan waar ooit S overheen was gevlogen, die een hekel had aan Duits en die er misschien geen snars van had begrepen en er zeker niets van had onthouden. Jugend ohne Gott voor Fräulein ohne Geliebten; het boek als bindmiddel.

Paul Celan

‘Wat zou jij doen als je de loterij wint?’ vroeg D een tijd geleden aan me. We mijmerden er een poosje over. Zouden we bijvoorbeeld stoppen met werken? Of juist niet? Waar haal je blijvende voldoening uit? Zouden we genoeg hebben aan de omgang met elkaar, eindeloos thee drinkend en gratuit kletsend over boeken, films en musea?

Ik herinnerde me een recente tweet van docent E, met een citaat van Paul Celan. Es fällt nun, Mutter, Schnee in der Ukraine. Poëzie bij actualiteit. Docent E citeert of verwijst vaak genoeg naar Celan om Celan te kunnen worden.

In NRC had docent E ooit een roman van een hedendaagse Duitse schrijver aanbevolen. Toen die auteur aan het Goethe-Institut in Amsterdam kwam praten over zijn boek, lieten D en ik het niet alleen door de auteur signeren, maar aasden ook op E, opdat ook diens handschrift in onze exemplaren zou belanden. Een paar keer schrokken we op van ons glas; even vreesden we dat hij al was vertrokken. We slopen en gluurden met ingekapselde opwinding door de gangen van het instituut, te meisjesachtig om niet ook door de vrouw van de auteur meewarig te worden aangekeken. Toen we eindelijk de moed hadden verzameld om E aan te spreken, trok die zijn wenkbrauwen op en lachte, hoofdschuddend maar gemoedelijk. Ja hoor, hij wilde ‘best’ in onze boeken schrijven; hij noteerde iets over herlezen en voorlezen. Als geslaagde groupies stopten we de exemplaren weer in onze handtas. E moet hebben gedacht dat we gek waren.

‘Als ik de loterij win,’ zei ik tegen D, ‘dan word ik hoerdier van docent E. Geen vleselijke relatie, alleen een zorgzame, voor lichaam en geest. Ik smeer ’s ochtends zijn broodjes en ’s avonds word ik rokend in bad voorgelezen uit een dichtbundel van Celan.’

Taalfilosofie

De reïncarnatie van schrijver dan wel lezer: ik ben bereid ver te gaan in dit experiment. Helaas is het tweede door middel van de groene paperback, die er niet meer bleek te zijn, dus niet gelukt. Wellicht slaagt het eerste aan de Belgische kust. D zou er genoeg fantasie voor hebben, al vraag ik me af of dit niet eerder een filosofische kwestie is, een uitstapje binnen de hermeneutiek.

‘Wir werden nicht alt, wir Exilierten’ – Wij worden niet oud, wij bannelingen – schreef Stefan Zweig in 1939 bij de dood van Joseph Roth. De interpretatie van zo’n uitspraak lijkt mij rekbaar. Misschien moet er op de achterbank naar Oostende een taalfilosoof mee. Die kan vanaf zijn stoel naast het ligbad bovendien mooi een glaasje Sekt aanreiken. De keel moet gesmeerd voor de wedergeboorte.