Een bezoek aan de Sint-Nicolaaskerk riep de brandweerlieden in de uitgebrande Notre-Dame in gedachten. Wat is er nodig voor een ontmoeting? Geen liturgische regels, maar het onverwachte.

De brandweer in de uitgebrande Notre-Dame.

In een blikkerende zon stond ik voor de Sint-Nicolaaskerk, wachtend op vriend R. Ik wilde de blikvanger in het centrum van Amsterdam wel eens van binnen zien. Ook zochten we een nieuwe activiteit voor Witte Donderdag; de butler was wel klaar met bedienen. En we zouden een kaars opsteken. Een experiment voor de ziel: kan R. als zelfverklaard misantroop zich openstellen voor mystiek? En hoe zou ik zelf zo’n rituele handeling beleven?

Daags tevoren had ik een kaart van hem ontvangen. ‘Er denderde een trein over mij heen,’ stond er, ‘maar de wissel is omgezet. (…) Ik ben hopeloos verliefd.’ Zo’n bericht mag doorgaans worden toegejuicht, van een misantroop vond ik het vooral verontrustend, ook al bediende hij zich van apocalyptische formuleringen: ‘Een demon heeft bezit van mij genomen.’ Zijn mededelingen had hij neergepend op een ansichtkaart met een illustratie van Parijs versus New York, de ene helft toonde de jeune romance van april, de andere helft de indian summer van september.

R. arriveerde bij de basiliek, met boodschappen en zonnebril. Ik besloot dat mijn vragen over de ansichtkaart moesten wachten. In een bescheiden stroompje toeristen gingen we twee kerkdeuren door. En daar kwam ons al de geurende bedwelming tegemoet: wierook en brandende kaarsen. Vuur. In een kerk. Dat veroorzaakte toch een subtiel alarm, drie dagen nadat de Notre-Dame was afgebrand.

Her en der zaten mensen in de bankjes, klaar voor de avondmis. Parochianen? Toeristen? Twee grijze mevrouwen deelden kopietjes uit: de heilige liturgie van Witte Donderdag – zes A4’tjes, dubbelzijdig geprint – en een vel met de lezingen. Bij het altaar stond een koor te repeteren, ijle motetten vulden het portaal. We draalden. 

Kaarsje branden

Ik stapte toch maar naar de grijze mevrouw die achter een tafel links van het middenpad de liturgie uitdeelde. ‘We willen alleen een kaarsje branden,’ zei ik verontschuldigend.
Ze antwoordde met een weids armgebaar richting de toegangsdeuren: pal ernaast stond een stellage vol brandende waxinelichtjes.
Ik keek van de liturgiepapieren naar het koor en terug. ‘Mag ik er eentje?’ vroeg ik.
De grijze mevrouw hield de kopietjes vast. ‘Blijft u voor de mis?’
‘Hoe lang duurt het?’ probeerde ik zo neutraal mogelijk te informeren.
De mevrouw glimlachte, meer wrang dan vriendelijk. ‘Ja, lang. Anderhalf uur.’
‘Dat gaan we niet redden,’ zei ik. ‘Maar mag ik toch zo’n kopietje?’

R. ging voor naar een bank halverwege het pad, zijn linnen tas met boodschappen stalde hij naast zich. In de rij voor ons lagen twee mensen geknield. De motetten galmden tegen het gewelf. We bladerden door de liturgie, R. had bovendien een vel met lezingteksten bemachtigd. Ik gleed langs alinea’s over de gebruiken van de Nicolaasparochie, over de zogenoemde ‘abdijliturgie’ met psalmen uit het Abdijboek en aandacht, rust en stilte.

Voor de communie bestonden er hele richtlijnen, beschreven in de liturgiekopietjes: eerst mogen de zijbeuken, daarna het middenschip. ‘Het is echter wel de bedoeling dat de hostie ter plekke genuttigd wordt en er uit de kelk wordt gedronken, en de hostie dus niet wordt ingedoopt.’ En verderop: ‘Wie niet gewoon is ter communie te gaan, wordt uitgenodigd toch naar voren te komen om, als teken van verbondenheid, de zegen te ontvangen. Wilt u dit dan even aangeven aan degene die de communie uitreikt.’
Het leek mij voor een niet-katholiek als ikzelf een nogal omstandige aangelegenheid. Hoe weiger je beleefd een hostie om vervolgens ‘aan te geven’ dat je graag een zegen wilt? De transsubstantiatie als bureaucratische afhandeling.

Alle teksten en liederen in de liturgie waren in het Nederlands, behalve de passage over de collecte. In het Engels stond er een uitleg over de scheiding tussen kerk en staat, gevolgd door een verklaring over de noodzakelijkheid van de collecte voor het voortbestaan van de basiliek. ‘We thank you for your generosity.’ 

Achterzijde van de Basiliek van de Heilige Nicolaas, gezien vanaf de Oudezijds Kolk.

Een poosje gaf ik me over aan de zuivere koorklanken en de glas-in-loodramen. Vanaf onze plek kon ik enkele woorden boven het altaar lezen: sanctus, sanctus, pleni sunt coeli et terra. Ik haalde mijn telefoon uit mijn tas en richtte de camera op de bogen in het plafond.
Een van de grijze mevrouwen boog vanaf het zijpad onze rij in: ‘No photo’s! You can take pictures after the mass.’
Ik bood mijn excuses aan. Volgens mij was de mis nog niet begonnen, maar ik besloot na wat ik zoal in de A4’tjes had gelezen niet in discussie te gaan. Ergens waardeerde ik het ook wel dat deze geloofsgemeenschap haar best deed om in tijden van Instagram nog iets binnen de beleving van het moment te behouden.

Oplichtend kruis

Ik borg mijn telefoon weer op en dacht aan de beelden die online circuleren van de Franse brandweerlui op de vroege ochtend na de brand in de Notre-Dame. Op een filmpje is te zien dat er eerst nog geblust wordt, een brede straal sproeit richting het altaar. Een volgende scène: drie mannen in brandweerkleding, gezien van achteren. De linker houdt de handen op de rug, de twee rechts leunen tegen de deurpost. Het is donker, maar de ritmische gloed van zwaailichten schijnt het tafereel bij. De mannen kijken de kerk in. Ze nemen de schade op, kalm, nu alles onder controle is. Of kijken ze naar dat oplichtende kruis boven het altaar?
De Britse journalist Robert Hardman bracht volgens zijn krant The Daily Mail als eerste verslag uit van de plek des onheils. Ook hem valt het kruis op: ‘(…) at the far end of the cathedral, illuminated by lingering embers and firefighters’ equipment, I could just make out a stunning symbol of defiance through the gloom: the unmistakeable sight of a crucifix on what remains of the altar.’ Overigens gaat het niet om een crucifix maar om een piëta.

Meer dan het verslag van Hardman zijn de gefilmde beelden van de brandweerlieden me bijgebleven. Alle drie staan ze recht voor zich uit te kijken. Of de verkoolde kerk en dat oplichtende kruis een inherente betekenis voor hen hebben of niet, het zou zomaar kunnen dat ze worden gegrepen door wat ze zien. Drie mannen, elk met hun eigen gedachten bij de verbrande kathedraal.
‘De liturgie,’ zo schetst de Nicolaasparochie, ‘schept een ruimte waarbinnen God en mens elkaar kunnen ontmoeten. Een ruimte waarbinnen we de mystiek kunnen ervaren van wat we in de relatie met God misschien niet altijd precies begrijpen, maar wel ervaren.’
De regels van de parochie lijken me hier eigenlijk haaks op te staan: niet zelden creëert God meer chaos dan orde, denk alleen al aan de ontknoping van het paasverhaal. Het is aan ons om ons daartoe te verhouden. Niet op liturgische afroep, maar in een onaangekondigde ontmoeting binnen die chaos. In het filmpje van de Parijse pompiers lijkt die onvoorziene dynamiek te worden verbeeld.

In de Nicolaasbasiliek verscheen een man in een beige gewaad; een priester of diaken. Hij legde iets klaar op de katheder en bewoog de microfoon even. Ik dacht weer aan de kaarsen en keek naar R. Hij knikte. Genoeg voorgeproefd van de liturgie. We schuifelden de kerkbank uit en begaven ons naar de waxinelichtjes, zes rijen zacht deinende vlammetjes.

Kaarsjes in de Sint-Nicolaaskerk.

Ik deed een euromunt en zestig cent in het geldkistje, voor twee waxinelichtjes. R. nam er eentje uit de voorraad en hield het bij een brandend exemplaar. Daar, wees ik: een kaars. We staken onze lichtjes aan. Precies op dat moment begonnen de kerkklokken te luiden. De mis zou over een kwartier beginnen. ‘Laten we ze in het midden zetten,’ fluisterde ik.
‘Er is geen midden,’ constateerde R.
Op de derde rij van boven dan, rechts tegen het middenschot, naast elkaar. We keken hoe de lichtjes stonden te branden, hun pas ontstoken vlammetjes nog klein.

Ik bedacht dat ik aan iemand hoorde te denken. Ik besloot aan dichter B. te denken, die in een recente correspondentie over kaarsen begonnen was. Maar het denken werd bemoeilijkt door afleiding, door het geschuifel van de grijze mevrouwen om ons heen en door de deuren die open en dicht bleven gaan voor de entree van mensen die de mis kwamen volgen.

Tussen hotels

We vonden het welletjes. Buiten blikkerde de zon onverminderd. ‘Laten we een rondje om de kerk wandelen,’ zei ik tegen R. We gingen rechtsom, via de Prins Hendrikkade, de Oudezijds Kolk op. De kerk staat ingebakken tussen hotels en cafés. Voor Irish pub Molly Malone’s wurmden we ons tussen pratende en lachende mensen door die glazen bier en wijn in de hand hielden. De atmosfeer was vol van sigaretten, afgewisseld met parfum. Op de Zeedijk zaten drinkende en rokende mensen op bankjes tegen cafégevels.

De ansichtkaart van de verliefde misantroop.

Thuis bereidde R. een curry. In een stapel papier op mijn bureau duikelde ik de ansichtkaart op. ‘Wat is er nou met je aan de hand?’ vroeg ik. ‘Ik ben verliefd,’ herhaalde hij zijn geschreven woorden. Er volgde een hakkelende en blozende samenvatting.
Of hij aan haar had gedacht bij het branden van het kaarsje? Ja, eventjes, bekende hij. ‘Je lijkt wel zestien,’ zei ik.

Ik voelde me een ongelovige Thomas jegens de plotselinge levenslust van de misantroop. Nota bene tijdens de Goede Week was zijn hernieuwde zin ingetreden. Terwijl we aten, bleef hij blozen, hij legde zijn hoofd op tafel en verborg zijn gezicht in zijn handen. Ook een misantroop schaamt zich als hij valt. 

Het waxinelichtje had voor mij niets veranderd. Misschien dat in de verte dichter B. er nog iets van ondervindt, onverwacht.