Ensemble Epsilon

Onsterfelijke muzikale handen uit de renaissance

De vorige keer dat ik verliefd werd in een kerk was vijf jaar geleden. Aan het Begijnhof speelde de organist in de Engelse Kerk een overdonderend Midden in de winternacht. Deze kindertune werd in één klap getransformeerd tot een formidabele harmonie. Pas na afloop zag ik in het programmaboekje dat de organist een jonge twintiger was, jonger nog dan geliefde S. Als ik ooit ga trouwen, dacht ik, zo niet met deze organist, dan wel in december, zodat ik naar het schemerige altaar kan schrijden onder begeleiding van kerstmuziek die de gasten zich alleen nog heugen van de LP’s van De Leidse Sleuteltjes.

Dit jaar was het weer raak. Niet dat ik erop rekende. In de Waalse Kerk namen we midden in de week plaats voor een onderdompeling in advent- en kerstmotetten. Na de werkdag verkeerde ik nog niet helemaal in de juiste gemoedstoestand.

Maar toen kwamen ze op, de zangers van het Franse ensemble. Ze posteerden zich in een kring tussen twee formaties van stoelen. Achter de rug van een zwart colbert doemde zij op. We zaten achterin. Ik moest een beetje naar links leunen om haar goed te zien. Ze leek op een oud-collega, wat mijn gezelschap ondanks diens slechte (hoewel jonge) ogen en dito bril ook bleek te vinden. ‘Kun jij gezichtsuitdrukkingen zien?’ vroeg hij me in de pauze. ‘Ik niet namelijk.’ We lachten erom, maar ondertussen wenste ik vurig dat mijn zicht niet zo slecht zou worden. Niet binnen nu en een uur; alsjeblieft niet.

de renaissance brengt je in twijfel

Gebrekkigheid, ouderdom, verval – muziek uit de renaissance brengt die onmiddellijk terug in onze registratieradius. De muziek is zo anders dan wat we nu gewend zijn, zo anders nog dan Mozart of Bach, zo gelieerd aan een andere mens, dat we ons meteen vervreemd voelen. Waar middeleeuwse muziek tegenwoordig vrolijk herrijst tijdens themamiddagen met schalmei en trommel en argeloze narren, brengt de renaissance je in twijfel. Dat is niet zo gek als je de omstandigheden van destijds beziet: het feodale stelsel brokkelde af, de wetenschap stoomde op naar een nieuw wereldbeeld, en totdat de verlichte mens zijn religieuze zekerheden bij het grof vuil zou zetten blikte de herboren mens nog een ogenblik terug, ver terug, naar de klassieke oudheid. De renaissancemens is de zoekende mens; de mens in transitie.

rode nagels laten vijf eeuwen verdwijnen

Het ensemble heeft zich op deze periode toegelegd. In de Waalse Kerk klonken dubbelkorige motetten van Palestrina, Morales, Gallus en Phinot. Een dirigent was er niet; begeleiden deed zij. Hoe doe je dat, dirigeren en zingen tegelijk? Fluitje van een cent. Zo leek het althans. Zingen en leiden waren hier een natuurlijke samenhang, een organisch geheel van beweging en klank. Onder een zwarte stola waren haar onderarmen zichtbaar, zelfverzekerde handen met rode nagels, die als een bootje op zee meedeinden op het ritme en die op hun beurt dat ritme bepaalden. De kerk hield zich stil, de stemmen togen hemelwaarts, en vijf eeuwen vielen weg onder haar roodgelakte vingernagels.

Deze handen waren als die van je moeder toen je zelf nog klein was. Jeugdig maar oud genoeg om begrip te tonen, verleidelijk doch zorgzaam, krachtig en vol vertrouwen. Deze handen hadden geen boodschap aan verleden en toekomst. Ze bannen alle twijfel uit. Zo lang er gezongen werd zouden deze handen bestaan, samenwerkend met de klanken, in een eeuwig heden dat sinds de zestiende eeuw onveranderd is gebleven. Wat moet het geruststellend zijn, dacht ik, te sterven dicht bij deze zang, dicht bij vrouwenhanden die zo stevig zijn verankerd in tijdloosheid.

De kans dat ik zal trouwen en dus Midden in de winternacht ten gehore kan doen brengen lijkt me gering. Doodgaan daarentegen zal ik zeker. Als mijn uur gekomen is, wilt u dan naar Lyon bellen en zorgen dat dit gezelschap naast mijn sponde komt staan?