Nanninga's Bosch, Westerkwartier, provincie Groningen (foto: Ankie Lok, mei 2016)

Nanninga’s Bosch, Westerkwartier, provincie Groningen (foto: Ankie Lok, mei 2016)

In mei 2016 werd ik op uitnodiging van stichting Het Groninger Landschap rondgeleid door de Coendersborch en Nanninga’s Bosch, in de buurt van Leek, in het Zuidelijk Westerkwartier. Het verslag dat ik erover schreef is gepubliceerd op de website van Het Groninger Landschap (even scrollen tot ongeveer halverwege de pagina) en is ook hieronder te lezen.

De gids komt van de ladder af met een nestkast in zijn handen. Het deksel gaat open. We zien snaveltjes, kopjes en lijfjes, keurig in het gelid: vijf boomklevers.

We zijn in Nanninga’s Bosch. De ingang ligt in een bocht van de weg bij Heineburen, in de gemeente Leek. Twee gidsen van stichting Het Groninger Landschap leiden ons rond door het voormalige productiebos, dat door de stichting wordt omgevormd tot natuurgebied.

Blauwe dieren

De boomklevers worden gewogen en geringd. De gids stopt ze eerst in een katoenen zakje en haalt de vogels er een voor een uit. Hij pakt ze soepel vast, de kop tussen wijs- en middelvinger. De vogeltjes protesteren niet. Hun blauwgrijze verenkleed is zich rap aan het verdichten, alleen rond de vleugels is het vlees nog roze en week. Binnen een paar dagen zal het ook daar bedekt zijn.

Het bospad is hier de strikte scheiding tussen naald- en loofbomen. We kiezen de dennenkant. Tussen brede stekelvarens wandelen we naar de volgende nestkast.

‘Kijk, daar,’ wijst de andere gids tussen de bomen. ‘Een ree.’
Ik kijk net te laat.

Er huivert iets. De boomtoppen van de grove dennen, die hier dicht op elkaar staan, neigen en wijken. De lucht betrekt. Dichter bij de grond verdicht het bos zich tot donkerbruin en donkergrijs. Het bos gedraagt zich zoals een gedicht van Georg Trakl, die zijn expressionistische poëzie doorreeg met romantische en gotische beelden:

Der Saum des Walds schließt blaue Tiere ein,
Das sanfte Laub, das in die Stille fällt.

(De zoom van het woud omvat blauwe dieren,
Het zachte loof, dat in stilte valt.)

Koolmezen en pimpelmezen wegen

Koolmees_Nanningas BoschWe stoppen onder een grove den waarin de koolmees in een nestkast huist. Ook deze heeft vijf jongen. We mogen er eentje op onze hand houden. Het lijfje is warm, ik meen een hartslag te voelen tegen de palm van mijn hand, snel en zo licht als de vogel zelf. Een handvol leven.

Aan een lariks hangt de kast van een pimpelmezenpaartje: twaalf jongen maar liefst. De gids stopt ze in de zak en noteert zijn metingen. De jongen wegen gemiddeld tussen de negen en tien gram. Eentje is al bijna elf gram: deze Arnold Schwarzenegger ligt één rups voor, concluderen onze gidsen.

Boven ons hoofd hipt pa of ma pimpelmees over een tak en gaat ononderbroken tekeer: tie-tie-tududududu. Een van de jongen in de handen van de gids antwoordt, verrassend luid. De ouder boven ons hoofd kan alleen maar toezien. Volgens de gids niets om je zorgen over te maken, deze vogels weten inmiddels dat dit er hier bij hoort. Toch blijven ze roepen, zolang de jongen op de weegschaal gaan en hun roze oksels worden ontbloot langs de meetlat.

Een stukje dicht beplante grond met berkenbomen was een experiment, legt de gids uit. Soms moet je maar gewoon wat uitproberen. Nanninga’s Bosch was tot ongeveer halverwege de twintigste eeuw in gebruik voor de productie van naaldbomen. Het Groninger Landschap maakt er nu een natuurbos van, met een veel grotere variatie in bomen, struiken en dieren. De overdracht van mens naar natuur vergt wel enige regie. Je snoeit, je kapt, je laat het groeien. Het dode hout blijft liggen voor insecten, wat vogels en andere dieren aantrekt. Je kijkt wat er gebeurt. Je zoekt de balans, tussen lucht en licht, dekking en duisternis.

Langs het pad staat een laag plantje met langwerpige bladeren. Een van de gidsen tilt de bladeren op; er hangt een rijtje groen-witte bloemen onder. ‘Mot met biggen,’ wijst hij, ‘zeug met biggen’: de lokale naam voor salomonszegel. ‘Als je die plant tegenkomt, weet je dat het bos minstens honderd jaar oud is.’

Coendersborch

’s Ochtends hadden we deze plant ook al gezien, achter de Coendersborch bij Nuis. De borg is onlangs gerenoveerd. Voor de bovenverdieping is Het Groninger Landschap op zoek naar huurders, wat ondanks de idyllische plek nog niet zo gemakkelijk is. De begane grond is opengesteld voor bezoekers. Bij de borg worden af en toe toneelstukken georganiseerd.

CoendersborchDe bovenverdieping en de zolder zijn een lust voor het oog. Boven de entree van het pand is een balkon met uitzicht over de oprijlaan. De keuken heeft een modern kookeiland. Op zolder stel ik me een werkkamer voor, een bibliotheek. Toch is de aarzeling van de geïnteresseerden ook voor ons invoelbaar: gebrek aan privacy zou hier een bezwaar kunnen zijn.

Achter de borg ligt een bescheiden bos, als een verlengde achtertuin. Hier zullen de nieuwe huurders veelal het rijk alleen hebben. Het bos grenst aan het typische coulisselandschap van het Westerkwartier; haaks op het bos ligt een houtsingel in het weiland. Naast het pad staat de ‘mot met biggen’. In een grote eik die een paar jaar geleden is omgewaaid zijn bij de jaarringen schroeven ingedraaid: eentje om de tien jaar, in een doorsnede van de geschiedenis. Onze gids wijst de Eerste en Tweede Wereldoorlog aan. De wind waait met een lauw strelen, onder onze blouses en langs oude basten.

Slagveld in 1669

De gids wijst over het weiland naar achteren: volgens het ‘recht van opstrekking’ had eigenaar Ludolph Coenders in de zeventiende eeuw zijn grondgebied uitgebreid tot aan de venen bij het Bollemeer. Zijn buurman van landgoed Nienoord, Georg Wilhelm van In- en Knyphuisen, was hierover ‘zeer ontsticht’, zo valt te lezen in een artikel in de Groningse Volksalmanak van 1957. Coenders wilde echter van geen wijken weten. Hij liet greppels graven en een schans opwerpen, die Van In- en Knyphuisen herhaaldelijk saboteerde. De gemoederen liepen zo hoog op dat de Gedeputeerde Staten tussenbeide moesten komen, maar dat haalde weinig uit.

Op 28 juni 1669 kwam het tot een gewapend gevecht, met spaden, schoppen, geweren en ‘op zijn minst één kanon’. ‘Het troepje van de heer van Nienoord, geringer in aantal dan zijn tegenstanders, dolf al dra het onderspit en moest (…) de terugtocht aanvaarden,’ verhaalt het artikel. ‘Dit was evenwel nog niet het ergste; erger was dat zij ook één der hunnen, zekere Willem Jansen, die door beide benen was geschoten, op het slagveld moesten achterlaten, waar deze gewonde in de loop van de nacht door bloedverlies om het leven is gekomen.’

Naderhand gaven beide heren een verschillende voorstelling van zaken. Ze beschuldigden elkaar ervan te zijn begonnen met schieten, volhardden elk in hun vermeende recht op de venen en bestreden elkaar tot de Hoge Raad van Holland aan toe. In 1671 doet deze definitief uitspraak: beide partijen krijgen elk een deel van de venen, met echter een zodanig vage begrenzing dat er honderd jaar later opnieuw conflicten zouden ontstaan. Het artikel in de almanak besluit met het jaartal waarin de borg in het bezit is gekomen van Het Groninger Landschap: 1956.

Sindsdien zijn de belangen rond het landgoed anders van aard. Oorsprong versus renovatie, bezoek versus bewoning, buurt versus toerisme, commercie versus natuur. Het gaat er in ieder geval een stuk bedaarder aan toe dan in de zeventiende eeuw. De strategie bestaat in verleiding; binnenkort komen de eerste geïnteresseerden de borg bezichtigen.

Paassnoepjes

In Nanninga’s Bosch lopen we nog een rondje, door een dichtbegroeid stuk dat de lichtgrijze, warme meidag een groene verzadiging geeft. We zijn al langs vele bomen en struiken gekomen, van fijnspar tot lijsterbes, van breed stekelvaren tot hulst, en van kamperfoelie tot een minstens vijftig jaar oude rododendron, op de plek waar ooit een zomerhuisje stond en de voorbije lentes doorbloeien tot op de dag van vandaag.

Nanninga’s Bosch is een mozaïek, en misschien is dat wel het mysterie van het woud, het mysterie waar Trakl over dicht. Vanbuiten lijkt het landschap zo enkelvoudig, zo eenvoudig te begrijpen. Erbinnen word je opgezogen zonder zelf mee te doen. Je blijft niet meer dan een toeschouwer, van loof en den, van ree en vogel.

We komen langs de nestkast van de bonte vliegenvanger: zeven eitjes. Ze zijn blauw met een matte glans en lijken daardoor sprekend op paassnoepjes. De gids noemt roofvogels op die zich in het bos ophouden. Havik, bosuil, twee paar sperwers. Niet alle soorten gaan goed samen. Sommige zitten aan weerszijden van het bos; die hoeven elkaar niet tegen te komen.

Sprookje

Bosuil_nestkast_Nanningas BoschWe kijken omhoog, naar de nestkast van de bosuil. Altijd wanneer de gids de nestkast inspecteert draagt hij gezicht- en hoofdbescherming. Hij heeft weleens een klap op de rug gehad. Hoe dat voelt? ‘Het valt mee,’ zegt hij. ‘Als je het maar verwacht, dan is het minder erg. Meestal vliegt de vogel nadat hij een klap heeft uitgedeeld snel weg. Zo bang zijn ze zelf dan ook wel weer.’

Ik stel me voor hoe de gids op de ladder zijn werk doet. Veiligheidsbril op, petje, de handen in de nestkast. De rug naar het woud. De verwachting van de klap.

Uil, das en ree – de oude bewoners. Ze verdwijnen soms om dan toch terug te keren. De landschapsbeheerders schrijden ondertussen door het woud, als de blauwe dieren van Trakl. Als het moet trekken ze een boom omver, zoals de Amerikaanse eik die desondanks kon doorgroeien, en wat is omgewaaid in de twee najaarsstormen van 2013 laten ze liggen.

De beheerders regeren met zachte hand, die de natuur niet meer dan een duwtje in de goede richting geeft. ‘Dit is een ideaal stukje,’ vinden ze, vlak bij de uitgang: een paar bomen met voldoende ruimte ertussen, zodat er ook struiken kunnen groeien.

Als we het bos uit lopen voelt het alsof we een sprookje hebben gelezen. Het boek is dichtgeslagen, maar daarbinnen wemelen de verhalen. Onze gidsen nemen afscheid en rijden weg; we staan nu alleen in de bocht van de weg. Tegenover het bos grazen koeien bij een boerderij.

Stille der Dörfer; es tönen rings
Die verlassenen Wälder. Herz,
Neige dich nun liebender
Über die ruhige Schläferin.

(Stilte der dorpen; overal rondom klinken
De verlaten bossen. Hart,
Buig je nu liefdevol
Over de rustige slapende.)

Trakl had zich hier vast thuis gevoeld.

Bronnen:

L.J. Noordhoff, ‘De strijd om het bezit der venen bij het Bollemeer en de “slag” bij de Snoekerschans (1669-1671)’. In: dr. W.J. Formsma en dr. A.T. Schuitema Meijer (red.), Groningse Volksalmanak voor het jaar 1957. N.V. Erven B. Van der Kamp, Groningen.

Georg Trakl, Das dichterische Werk. Deutscher Taschenbuch Verlag, München, 8. Auflage, 1983.