Oostelijke Handelskade, twee dagen na de schietpartij waarbij Elco Gjaltema om het leven kwam.

Oostelijke Handelskade, twee dagen na de schietpartij waarbij Elco Gjaltema om het leven kwam.

Na een avond in de bioscoop was ik thuis nog even aan het werk gegaan, toen ik ineens harde knallen hoorde. Op zichzelf niets verontrustends; in Amsterdam wordt het hele jaar vuurwerk afgestoken. Maar dit klonk wel raar. Vuurwerk met een ijzeren zweem. Ik stond op van mijn bureau en deed het raam open, in de verwachting van wat er na dit soort geluiden altijd te zien is: niets.

Inderdaad was er niets te zien. Aan de kade in het donker lag alles er rustig bij. De boten die dagelijks aanleggen waren in slaap gedommeld. Op de achtergrond ruiste de stad en heel in de verte klonk een sirene.

Ik ging weer zitten en werkte door, tot de deurbel ging. Dat zou geliefde S wel zijn, die onderweg was naar huis, maar omdat je nooit zeker weet wie er op welke tijdstippen wat dan ook van je wil keek ik eerst even door het spionnetje. Ik had tenslotte wel een joggingbroek en een capuchontrui aan.

Het was niet S die voor de deur stond, maar de buurvrouw. Op de vraag hoe je zou reageren op het nieuws dat er voor de ingang zojuist iemand is neergeschoten weet ik van mijzelf nu het antwoord: ik sloeg een hand voor mijn mond en voelde van voorhoofd tot kin een frons over mijn gezicht trekken.

Alles stond open. Onze voordeur, haar voordeur, het zijraam van haar erker. Ik belde S, die nog op de fiets zat. Schuin onder het zijraam van de buren, beneden op straat, voltrok zich een hulpverleningscircus. Zes politieauto’s, twee ambulances, een brandweerwagen. Zwaailichten, sirenes. Een lichaam op het fietspad. Voeten, benen, een spijkerbroek, een ontblote borst die door ambulancemedewerkers diep en ritmisch werd ingeduwd. Geelgrauwe huid in het licht van de lantaarns. De man lag naast het geopende portier van een auto. De ruit lag eruit, de koplampen brandden.

De buurvrouw leunde met de rug tegen de vensterbank en bleef naar buiten kijken. ‘Ik ben zwanger trouwens,’ zei ze.
‘Zwanger?’ vroeg ik, verbluft door alle consternatie.
‘Ja. Ik dacht dat je het wel zou zien.’
Ik keek naar haar buik. Een bolling onder een frommelige capuchontrui. Ook al een capuchontrui. Ik feliciteerde haar met een kus op de wang. In gedachten hoorde ik de lage, trage woorden van Cate Blanchett in Carol, een verder nogal gestileerd drama dat ik anderhalve week geleden had gezien. There are no accidents, and everything comes full circle.

De buurman was nu ook binnengekomen. Ik begroette hem met een felicitatie.
Ook S kwam thuis en voegde zich bij ons. Hij had beneden bij het rood-witte politielint gestaan en was toen in de lift gestapt.
‘De buren hebben nieuws,’ zei ik.
‘Ben je zwanger?’ raadde S.
Ik schatte in dat ik de persoonlijke vraag kon stellen die alle jonge ouders voor zichzelf uitstekend weten te beantwoorden: of het gepland was? Nee, niet helemaal. Maar niet helemaal betekent doorgaans half van wel. Per ongeluk expres, heb ik een vrouw dat eens horen noemen, die zich op rationele gronden nooit tot de babybeslissing had kunnen zetten. Maar ook een ongelukje brengt toevallig wel een nieuw mens voort. There are no accidents.

De buurman vertelde hoe ze op de bank hadden gezeten toen ze de pistoolschoten hoorden. Hij en zijn vriendin waren naar het raam gelopen. Ze wisten niet waar ze moesten kijken, zagen eerst niets. Aan de andere kant van het pand had ik op hetzelfde moment naar het niets staan kijken. Maar toen zagen de buren wel degelijk iets. Een auto die snel wegreed, en het glas naast een zilvergrijze auto in een parkeerhaven.

Terwijl ik weer aan mijn bureau was gaan zitten was de buurman naar beneden gegaan. Omstanders haalden de man uit de auto. De motor sloeg af. De man leefde nog, maar kon nauwelijks meer praten. Ogen die naar de verte keken. Hij had het koud; ze legden zijn jas over hem heen. Ze begonnen met hartmassages. Na een tijdje kwam er een straaltje bloed uit zijn mond, en nog later ook uit zijn neus.

Met z’n vieren keken we nu naar beneden, naar de geel-turquoise uniformen. Ze waren gestopt. Er werd een wit laken gehaald. De koplampen schakelden naar een lager pitje. Ik kon niet zien of iemand achter het stuur aan de knoppen draaide of dat het vanzelf ging; auto’s zijn slim tegenwoordig.

Terwijl het stil en leeg werd om het witte laken heen werd er een ranke vrouw onder het politielint doorgelaten. Haar lange, blonde haar viel sluik over zwarte kleding. Dicht op haar volgde een politieagent; het leek alsof hij haar bij de elleboog vasthield. De vrouw bleef vlak bij de gevel. Ze stapte snel, maar met een tred alsof ze op een richel liep. Ze leek niet op te kijken naar het witte laken. Met de agent verdween ze in het portiek. Ze had de handen voor haar mond geslagen.

’s Nachts, terwijl wij lagen te slapen, liepen er rond de zilvergrijze auto mannen in witte pakken. Ze schenen met zaklantaarns. De volgende ochtend zat er een vlek op het fietspad, daar waar het lichaam had gelegen, een groezelige schaduw. Tegen de avond had de motregen het al weggespoeld. In de rij parkeerhavens was er een lege plek overgebleven. Bij de lantaarnpaal lagen bloemen.

Elco Gjaltema, heette het slachtoffer. Hij deed iets met fietscross, tatoeages en mode. Zijn naam is jaren geleden gestold in een politiedossier. Hij wordt niet in verband gebracht met zware criminaliteit. De politie houdt inmiddels rekening met een persoonsverwisseling. Vergismoord, zei de verslaggever op AT5.

Een vergissing, een ongelukje, toeval. Een leven kan ermee eindigen en beginnen. In een bijzin. Terloops en tegelijkertijd, op een winteravond, naast een open raam. Het wordt een jongen. Everything comes full circle.