D leest voor uit Murakami's verhalenbundel (De Nieuwe Boekhandel, april 2016).

D leest voor uit Murakami’s verhalenbundel (De Nieuwe Boekhandel, april 2016).

Drie gezichten voor de meterkast. We kijken naar voren, opzij. Het licht in de winkel floept aan en uit. De verwarmingsinstallatie hangt halverwege aan het plafond. Er hoort een afstandsbediening bij. Voor de etalage zijn de rolluiken naar beneden gelaten. We testen de nooduitgang, een deur met een soepele hendel. De deur zwaait open en voor onze voeten rolt de stoep zich uit.

Achter in de winkel ligt een opgepompt luchtbed. Aan het hoofdeinde is een lege kussensloop gedrapeerd. Slaap zacht, Johnny Idaho. Aan het voeteneinde, schuin op elkaar gelegd, twee boeken die ik al had besteld: het dagboek en de brieven van Etty Hillesum.

Bij het luchtbed wandelt een zwarte kat met witte sokken. Roesje, is de naam. Gedrongen, net niet dik. Een verticale witte streep op de kop. Roesje verkeert dagelijks tussen literatuur, poëzie, kinderboeken, essays, geschiedenis en filosofie.

Schoenen uit

Na de rondleiding door het pand verdwijnen eigenaar Monique Burger en Roesje naar de woning boven de winkel, zodat vriendin D en ik ons kunnen overgeven aan hetgeen waarvoor we zijn gekomen: slapen in De Nieuwe Boekhandel.

Aan het slapen gaat eerst nog een hele avond vooraf, een avond die begon nadat Monique en Roesje ons alleen lieten. D en ik, samen, alleen. Alleen in de boekhandel. Alleen met de kasten, met de boeken. Alleen met het papier. Alleen met woorden. Alleen met auteurs.

Monique had de sleutel nog niet omgedraaid en uit het slot gehaald of D en ik dwaalden al ieder naar een kast. De boeken lonkten. Maar we voelden ons nog te veel klant, bezoek. Eerst moesten de schoenen uit en onze kleding verruild voor een gemakkelijke outfit. In het keukentje zette ik de waterkoker aan. Met een kop thee in de hand en een huisbroek om het lijf veranderden we van bezoekers en klanten in logés.

Openingszinnen

Louis de Bernieres_The dust that falls from dreams

Ik begon achter het luchtbed, bij de kast met Engelse fictie. Het omslag van de nieuwe titel van Louis de Bernières keek me aan, The dust that falls from dreams. De pocket van Vintage had een kaft die aanvoelde alsof ze van rubber was. Vanbinnen bruin en vriendelijk muf. Ik rook aan het papier en wist me onbespied. Met dit boek kon ik ongestoord mijn gang gaan. Er waren geen andere klanten voor wie ik nu en dan opzij zou moeten stappen, in zo’n typische pas de deux die zich voor een boekenkast kan voltrekken. Achter me dampte de thee op tafel.

Ik noteerde de openingszin: ‘This was the day that Daniel vaulted the wall.’ Later zocht ik de vertaling in de Nederlandse uitgave op: ‘Het was de dag dat Daniel met een polsstok over de tuinmuur sprong.’ De vertaling geeft context, details, maar is ook breedsprakig. De Engelse zin loopt kernachtig, soepel, maar raadselachtig.

Wat zich bij het boek van De Bernières nestelde bleef de hele avond in de boekhandel hangen: het gevoel door onze eigen bibliotheek te wandelen, alsof de boeken van onszelf waren. Ik haalde een schrift uit mijn koffer en noteerde meer openingszinnen, van meer Engelstalige auteurs. David Vann, Jonathan Franzen, John Fante, John Williams. Kinderboeken: Thea Beckman. Vertaald werk: Nikos Kazantzakis. Rijzende sterren aan het Nederlandse firmament: Jaap Robben, Auke Hulst, Inge Schilperoord.

Kettingzaag

D kwam naar het luchtbed met een stapel in haar armen: De verwarde cavia van Paulien Cornelisse, de boeken van Griet Op de Beeck, de nieuwe verhalenbundel van Murakami. Ze las me voor. Thuis moet ik meestal zelf aan de bak; zo heb ik de afgelopen twee jaar columnbundels van Herman Sandman en stukken uit de bijbel voorgelezen aan geliefde S.

Af en toe werden we opgeschrikt door omgevingsgeluid. Monique had ons al verteld wat we konden verwachten. ‘Alles zit dicht, niemand kan de winkel in. Wees niet bang.’ Het was een geruststellende boodschap, als van een moeder die haar kinderen voorbereidt op de nacht.

Slapen in de boekhandel_capuchontruiTegen elven hoorden we stemmen bij de etalage. Hangjongeren. Ik had zelf een capuchontrui aan. D had me met een onbarmhartige flits van achteren op de foto gezet: een blauwzwarte gedaante in een lege, halfdonkere boekhandel, bladerend in een boek aan een onbemande toonbank. De foto was wazig. Een verloren ziel, een lezer uit de onderwereld. De hangjongeren zouden zich waarschijnlijk kapot schrikken als ze ons door de winkelruit zouden ontwaren. Ik bleef uit de buurt.

Een enkele bonk boven ons. Onduidelijk burengerucht. Rond middernacht hoorden we achter de nooduitgang een kettingzaag. ‘Nu komen de zombies,’ grapte ik flauw tegen D. Maar we waren niet bang. Met het voorlezen hadden we onze demonen bezworen.

Asielzoeker

Van tevoren had ik gedagdroomd over boeken in mijn slaapzak. Hoe dicht kun je bij een auteur komen? Bij het afstruinen van de kasten keek ik ook naar potentiële gasten. Arnon Grunberg gooide al bij voorbaat hoge ogen. De enige titel die ik hier in de winkel vond was De asielzoeker. Ondanks de toepasselijke titel sloeg ik over. Ik had liever Blauwe maandagen in mijn slaapzak willen stoppen – thuis mag ik Grunberg niet onder de dekens bewaren, vermoed ik, hoewel ik het nooit expliciet heb gevraagd. Ik nam genoegen met een stapeltje naast het luchtbed. De overweldigende aanwezigheid van de kasten en hun inhoud bleek indringend genoeg.

Tegen 1 uur was het mijn beurt om nog wat voor te lezen. Ik koos gedichten uit de bundels van recente zelfmoordenaars, Joost Zwagerman en Wim Brands. Zoekende verzen. Het slotstuk van de avond kwam uit een bundel van het Brainwash Festival, ook over zelfmoord: een essay van David Vann. Het beschrijft diens familiegeschiedenis, aquaria en de kunst van het eenvoudigweg voortbestaan. D lag naast me, ze dommelde al in. Van het essay bleek ze nauwelijks de helft te hebben meegekregen. Mijn stem met de woorden van Vann was tussen de kasten blijven hangen. De verwarming zoemde.

Grijs licht

Slapen in de boekhandel_ochtendDe volgende ochtend word ik vroeg wakker, zoals je altijd vroeg wakker wordt wanneer je uit logeren bent. Achter de nooduitgang fluit een merel. Het klinkt alsof hij in de winkel zit, zo helder en luid. D ligt opgekruld in haar slaapzak.

Ik sta op en wandel weer langs de kasten. Achter de rolluiken schijnt een heldere aprilzon. De winkel ligt nog in een grijs licht verscholen, een licht waarin ook je eigen huiskamer je ’s ochtends vroeg ontvangt. Vertrouwd en slaperig. Over een uur zal Monique weer hier beneden staan. Op Etty Hillesum had ik ’s avonds nog een Nederlands boek gelegd: Kinderen van het Ruige Land van Auke Hulst. ’s Ochtends leg ik er een laatste bovenop. Jan Vantoortelboom, De man die haast had.

Om 8 uur wordt er geklopt en met een sleutelbos gerammeld. We drinken thee; Monique wil weten hoe het was. Roesje sjouwt drie rondjes door de winkel en verdwijnt weer naar boven. D en ik stralen, geestelijk althans. Ook wij hebben in een roesje verkeerd.

De Nieuwe Boekhandel is gevestigd in Amsterdam, Bos en Lommer. Slapen in de boekhandel kan helaas niet meer; de eigenaar gaat verhuizen naar een nieuw woonadres. D en ik waren de laatste gasten.