Onderweg naar de Sallandse Heuvelrug. Een zwart-witte kat op de N332, toegezongen door Wende Snijders.

Berken op de Sallandse Heuvelrug, 11 april 2020 (foto: Ankie Lok)

Half zeven ’s ochtends op de N332. We hadden er al ruim een uur op zitten. Een Randstedeling in lockdown probeert zichzelf toch even uit te laten.

Op de achterbank lagen een winterjas en een zomerjas. Er was mooi weer voorspeld, maar de dag was amper begonnen. In het donker uit het raam hangend op zes hoog vond ik het lastig kiezen: welk kledingstuk zou het best van pas komen, straks, als de zon eenmaal op was?

Op de N332 schemerde het. De oostelijke hemel hadden we al zien gloeien in spectaculaire kleuren, van blauw en groen naar koraalrood. Afgedraaid vanaf de A1 beschreven we nu een halve ruit om de westkant van de Sallandse Heuvelrug heen.

Bloesem

De provinciale weg strekte zich uit tussen graslanden en bossen. Nu en dan een boerderij, achter een oprijlaan met nog kale eiken. De bosranden droegen een sluier: de hoge, witte bloesem van prunus- en amelanchiersoorten. De sierkersen en krentenboompjes lichtten op in het halfdonker.

Voor ons op straat doemde iets zwarts op, midden op de rijbaan. Een rechthoek. Ik dacht aan een verloren onderdeel. Rommel.
‘Niet eroverheen rijden,’ waarschuwde ik geliefde S, die achter het stuur zat. Precies naast het zwarte voorwerp was een uitwijkhaven.
S minderde vaart.

Vlak voordat hij opzij stuurde, kreeg het zwarte voorwerp een vorm. Aan het ene uiteinde bleek een kleine ronding vast te zitten. Daarbovenop stak een driehoekje omhoog.
Een poes.

De laatste keer dat ik een dode kat had gezien, was afgelopen zomer, diep in Polen. Het dier lag op een dorpsweg naast een weiland met vogelverschrikkers.
Ik had S gemaand: ‘Stop eens.’ Hij zal wel hebben geprotesteerd, ik weet het niet meer precies. In de auto bleef hij wachten, vermoedelijk met zijn ogen rollend, tot ik klaar was met kadavers kijken.

Onder de Midden-Europese zon was het ontbindingsproces al een flink eind heen, zo ver dat het nauwelijks nog smerig was. Het dier lag erbij alsof het een gevecht met de duivel had moeten voeren. Half op de rug, met het bovenlichaam naar de hemel gedraaid. De voorpoten vertoonden een vreemde knik, de borstkas was opengereten, maar in het gapende gat heerste slechts duisternis. De bek was vertrokken in een grimas. In deze houding deed de kat nog het meest aan een vleermuis denken.

Een beetje wit

Het Sallandse verkeersslachtoffer was een ander geval. Vanaf de passagiersstoel keek ik hem na door de achterruit. Hij lag op de rechterzij. De poten voor zich, netjes bij elkaar. De vacht bleek aan de voorkant en op de buik deels wit, en van bloed was zo gauw geen spoor te bekennen.
Ook in zoiets als de Lijdensweek zit voortgang. Het was al niet meer zoals een dag eerder, toen onze buurvrouw met haar bloedende zoon naar huis snelde.
De dood was domweg ingetreden en de kat lag erbij als op een baar, een veel te grote, dat wel. Het was nog ruim een kilometer naar Nieuw-Heeten.

Op de radio zong ondertussen Wende Snijders de versregels van Joost Zwagerman:

Op het stupide en futiele af
Met oogkleppen en hondentrouw
Voor alles altijd bang geweest

Het moest een kwestie van seconden zijn geweest, een kruising van argeloze wegen. Wie had deze kat niet zien aankomen?
‘Poezen horen gewoon weer thuis te komen,’ zei ik stuurs.
‘Misschien was het een verwilderde boerderijkat,’ suste S.

Korhoenders

We bereikten het einde van de halve ruit, bij Haarle. Buiten stond een niet mis te verstane kou boven het land. Voor de wandeling werd het de winterjas.
Op de heide zagen we twee korhanen, maar vooral hoorden we ze: het borrelende baltsen en tussendoor soms een hese schreeuw. De afgelopen jaren gingen we elke lente op zoek naar de laatste korhoenders van Nederland. Maar die kreet hoorde ik nu pas voor het eerst.

De korhoenders en zangvogels waren vrijwel de enigen die zich deden gelden in het natuurgebied. Er waren niet meer dan een handvol vroege vogelaars op de been, die onderling keurig afstand hielden. Twee mannen in jeeps van Staatsbosbeheer knikten vriendelijk.
Berkenstammen leken van zilver onder de hoger klimmende zon. We maakten een ronde door het bos en kwamen weer op de vlakte.
Ineens bleek de winterjas veel te warm geworden. Sjaals gingen af, handschoenen uit, ritsen open.

Steen

Tegen koffietijd waren we terug bij de auto. Ik dacht weer aan het roerloze silhouet op straat. We volgden de N332 in omgekeerde richting. Maar ter hoogte van de vluchthaven was het leeg op het asfalt.

‘Hij is weg,’ verwoordde S mijn gedachten, terwijl de onheilsplek opnieuw door de achterruit verdween. ‘Misschien is hij door iemand van de straat gehaald en heeft diegene de eigenaar opgebeld.’ Het klonk als een fantasie. ‘In de berm lag ook niks,’ zei S ten slotte.
Eventjes beeldde ik me een rover in, wegvliegend of dravend met zijn buit in de muil.

Net als het kadaver lagen de scenario’s voor het oprapen. Maar de steen voor het graf was hoe dan ook weggerold.
Kijk vanaf vandaag, eerste paasdag, in Salland uit naar een zwarte kat die toch een beetje wit blijkt.

Lees ook de blog Goede Vrijdag: bloed en koolzaad >>